ECLI:NL:CRVB:2019:3030

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
20 september 2019
Publicatiedatum
20 september 2019
Zaaknummer
18/4321 PW-V
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:55 AwbArt. 8:108 AwbArt. 8:54 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet ongegrond wegens niet tijdige betaling griffierecht in sociaalzekerheidszaak

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant, maar dit beroep werd niet-ontvankelijk verklaard vanwege het niet tijdig betalen van het griffierecht. Vervolgens heeft appellante verzet aangetekend tegen deze beslissing.

Tijdens de zitting van 9 augustus 2019 heeft appellante, vergezeld door haar partner, verklaard de nota voor het griffierecht niet te hebben ontvangen en dat haar advocaat haar had geadviseerd niet te betalen. Tevens gaf zij aan dat persoonlijke omstandigheden het moeilijk maakten om alles te overzien, waardoor de betaling is vergeten.

De Raad oordeelt dat ondanks begrip voor de persoonlijke omstandigheden, geen feiten of omstandigheden zijn aangevoerd die het verzuim rechtvaardigen. De nota en betalingsherinnering zijn correct verzonden en de termijn voor betaling was duidelijk gesteld. Daarom wordt het verzet ongegrond verklaard en krijgt appellante geen nieuwe termijn voor betaling van het griffierecht.

Uitkomst: Het verzet wordt ongegrond verklaard wegens niet tijdige betaling van het griffierecht.

Uitspraak

Datum uitspraak: 20 september 2019
18/4321 PW-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:55, zevende lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank
Oost-Brabant van 26 juni 2018, 18/626 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven (college)

PROCESVERLOOP

Bij uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht van 23 april 2019 heeft de Raad het door appellante ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.
Appellante heeft verzet gedaan.
Het verzet is behandeld ter zitting van 9 augustus 2019. Appellante is verschenen met haar partner, de heer [naam partner]. Het college heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

De uitspraak van de Raad van 23 april 2019 berust op de overwegingen dat het griffierecht
niet binnen de in de brief van 15 september 2018 gestelde termijn is betaald en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellante niet in verzuim is geweest.
Appellante heeft ter zitting te kennen gegeven dat zij de nota voor betaling van het griffierecht niet heeft ontvangen. Naar aanleiding van de aangetekende betalingsherinnering van
15 september 2018 heeft zij contact opgenomen met haar advocaat. Haar advocaat deelde mee dat hij appellante niet verder kan helpen en dat appellante ook niet hoeft te betalen omdat het geen zin heeft. Appellante en haar partner verkeerde door persoonlijke omstandigheden in een moeilijke periode en konden niet alles overzien. Hierdoor is het tijdig voldoen van het griffierecht hen ontschoten. Appellante wenst alsnog in de gelegenheid te worden gesteld om het griffierecht te voldoen.
De Raad is van oordeel dat in verzet geen feiten of omstandigheden zijn aangevoerd op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat appellante niet in verzuim is geweest. De nota en betalingsherinnering zijn gezonden aan het adres van appellante. Hierin is duidelijk opgenomen binnen welke termijn het griffierecht moet worden voldaan. De Raad heeft begrip voor de moeilijke persoonlijke omstandigheden zoals ter zitting zijn toegelicht. Deze omstandigheden kunnen helaas niet tot de conclusie leiden dat betaling van het griffierecht op een later tijdstip zou kunnen plaatsvinden dan binnen de in de brief van 15 september 2018 gestelde termijn. Appellante wordt daarom geen nieuwe termijn voor de betaling van het griffierecht gegund.
Dit betekent dat het verzet ongegrond wordt verklaard.
Voor een proceskostenveroordeling van het verzet is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma, in tegenwoordigheid van L.R. Daman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 september 2019.
(getekend) C.H. Bangma
(getekend) L.R. Daman

VC