Uitspraak
Oost-Brabant van 26 juni 2018, 18/626 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant, maar dit beroep werd niet-ontvankelijk verklaard vanwege het niet tijdig betalen van het griffierecht. Vervolgens heeft appellante verzet aangetekend tegen deze beslissing.
Tijdens de zitting van 9 augustus 2019 heeft appellante, vergezeld door haar partner, verklaard de nota voor het griffierecht niet te hebben ontvangen en dat haar advocaat haar had geadviseerd niet te betalen. Tevens gaf zij aan dat persoonlijke omstandigheden het moeilijk maakten om alles te overzien, waardoor de betaling is vergeten.
De Raad oordeelt dat ondanks begrip voor de persoonlijke omstandigheden, geen feiten of omstandigheden zijn aangevoerd die het verzuim rechtvaardigen. De nota en betalingsherinnering zijn correct verzonden en de termijn voor betaling was duidelijk gesteld. Daarom wordt het verzet ongegrond verklaard en krijgt appellante geen nieuwe termijn voor betaling van het griffierecht.
Uitkomst: Het verzet wordt ongegrond verklaard wegens niet tijdige betaling van het griffierecht.