ECLI:NL:CRVB:2019:3053
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstand wegens niet gemelde waardevolle bezittingen na diefstal
Appellant ontving vanaf 2011 bijstand en deed in 2015 aangifte van diefstal van waardevolle goederen uit zijn woning, waaronder Rolex sieraden en porseleinen vazen. Na onderzoek bleek dat appellant nog steeds over waardevolle bezittingen beschikte, ondanks een uitgekeerde verzekeringssom.
Het college van burgemeester en wethouders van Helmond trok de bijstand in en vorderde de kosten terug omdat appellant de inlichtingenverplichting had geschonden door het bezit van deze goederen niet te melden. Appellant stelde dat hij geen vermogen boven het vrij te laten bedrag had en dat sommige bezittingen niet van hem waren, maar kon dit niet aannemelijk maken.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen de intrekking ongegrond en het beroep tegen de afwijzing van een nieuwe aanvraag gegrond. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dat appellant de inlichtingenverplichting had geschonden, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld. Ook de afwijzing van de nieuwe aanvraag werd bevestigd.
De Raad oordeelde dat het college terecht tot intrekking, beëindiging en terugvordering van bijstand was overgegaan en dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij recht had op bijstand. De proceskostenveroordeling werd niet toegewezen.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand wegens niet gemelde waardevolle bezittingen wordt bevestigd.