ECLI:NL:CRVB:2019:308
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A. Stehouwer
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand en oplegging maatregel wegens niet meewerken arbeidsinschakeling
Appellant ontving bijstand op grond van de Participatiewet en werd meerdere malen uitgenodigd voor gesprekken in het kader van een onderzoek naar arbeidsinschakeling. Hij verscheen niet op deze afspraken en verstrekte ook niet de gevraagde gegevens. Het college legde daarom een maatregel op waarbij de bijstand met 100% werd verlaagd over de periode van 1 tot en met 31 augustus 2016. Omdat de bijstand op 14 juli 2016 was ingetrokken, kon deze maatregel toen niet worden geëffectueerd. Bij hernieuwde toekenning van bijstand werd de maatregel opnieuw opgelegd.
Appellant voerde aan dat zijn medisch-psychische beperkingen hem verhinderden om zijn administratie bij te houden en op brieven te reageren. De Raad oordeelde echter dat appellant voldoende begeleiding en hulp had ontvangen, onder meer via Buro Maks en zijn ouders. Het feit dat deze begeleiding was beëindigd en zijn ouders op vakantie waren, kwam voor zijn eigen risico. Appellant had tijdig om verlenging van begeleiding moeten verzoeken.
De Raad bevestigde dat het college bevoegd was de bijstand in te trekken en de maatregel op te leggen. De rechtbank had de beroepen van appellant ongegrond verklaard en de Raad zag geen reden dit te vernietigen. Wel werd het college veroordeeld in de proceskosten van appellant en werd het betaalde griffierecht aan appellant vergoed.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van bijstand en de oplegging van een maatregel wegens niet meewerken aan arbeidsinschakeling.