ECLI:NL:CRVB:2019:31

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 januari 2019
Publicatiedatum
8 januari 2019
Zaaknummer
18/3911 PW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:82 AwbArt. 8:83 AwbArt. 8:104 AwbArt. 8:108 Awb
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek voorlopige voorziening niet-ontvankelijk wegens niet tijdige betaling griffierecht

Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld en verzocht om toepassing van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor een voorlopige voorziening. De Centrale Raad van Beroep heeft verzoeker meerdere malen schriftelijk gewezen op de verplichting tot betaling van griffierecht binnen de gestelde termijnen.

Verzoeker heeft een beroep op betalingsonmacht gedaan en daartoe een formulier ingevuld en ingediend. De Raad heeft een inkomensverklaring opgevraagd en beoordeeld, waarna is geconcludeerd dat verzoeker niet aan de criteria voor betalingsonmacht voldoet. Verzoeker is hierop gewezen en verzocht alsnog het griffierecht te voldoen.

Ondanks herhaalde aanmaningen en waarschuwingen is het griffierecht niet binnen de gestelde termijn betaald. De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening daarom niet-ontvankelijk, conform artikel 8:83, derde lid, van de Awb. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet tijdige betaling van het griffierecht.

Uitspraak

Datum uitspraak: 8 januari 2019
18/3911 PW
Centrale Raad van Beroep
Voorzieningenrechter
Uitspraak inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht in het geding tussen:
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Leeuwarden

PROCESVERLOOP

Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld en verzocht om toepassing van het bepaalde in
artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

OVERWEGINGEN

Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb zijn onder meer de artikelen 8:81, 8:82 en 8:83 van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Ingevolge artikel 8:81 in Pro samenhang met artikel 8:104 van Pro de Awb, kan indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank hoger beroep bij de Raad is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Artikel 8:82, eerste lid, van de Awb bepaalt dat van de verzoeker een griffierecht wordt geheven. Ingevolge artikel 8:82, derde lid, is artikel 8:41, derde tot en met zesde lid, van de Awb van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de termijn voor de bijschrijving of storting van het griffierecht twee weken bedraagt.
Bij brief van 20 juli 2018 is verzoeker erop gewezen dat verzoeker ter zake van het ingediende verzoek een griffierecht van € 126,-, is verschuldigd, welk bedrag binnen twee weken na dagtekening van die brief dient te zijn voldaan.
Bij aangetekende brief van 4 augustus 2018 is verzoeker nogmaals gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en is meegedeeld dat het verschuldigde bedrag binnen één week na dagtekening dient te zijn bijgeschreven op de in die brief genoemde bankrekening dan wel contant op het bezoekadres van de Raad dient te zijn betaald. Daarbij is erop gewezen dat overschrijding van die termijn leidt tot niet-ontvankelijkverklaring van het verzoek om voorlopige voorziening.
Bij brief van 24 juli 2018, ontvangen op 20 augustus 2018, heeft verzoeker een beroep op betalingsonmacht gedaan.
Bij brief van 22 augustus 2018 is verzoeker gewezen op de criteria die gelden voor het aannemen van ‘betalingsonmacht’. Verzoeker is een termijn van twee weken gegeven om door middel van het invullen en retourneren van het bij de brief gevoegde formulier te reageren op voornoemde brief. Daarbij is verzoeker erop gewezen dat het beroep op betalingsonmacht wordt afgewezen als het formulier niet op tijd is teruggestuurd, niet compleet is ingevuld en/of gegevens ontbreken en dat er geen gelegenheid is tot aanvulling van het formulier of de gegevens.
Verzoeker heeft dit formulier ingevuld en ondertekend ingezonden. De Raad heeft het op
5 september 2018 ontvangen.
Bij brief van 7 september 2018 heeft de Raad een inkomensverklaring van verzoeker opgevraagd bij de Raad voor Rechtsbijstand.
Bij brief van 13 september 2018, ontvangen op 14 september 2018, heeft de Raad voor Rechtsbijstand de inkomensverklaring van verzoeker overgelegd. Uit deze verklaring blijkt dat het verzamelinkomen van verzoeker € 15.111,- bedraagt in het peiljaar 2016.
Bij brief van 19 september 2018 is aan verzoeker een termijn van twee weken gegeven om door middel van het invullen en retourneren van de bij de brief gevoegde verklaring te reageren, nu de gegevens in de inkomensverklaring niet actueel zijn.
Op 25 september 2018 heeft verzoeker een verklaring overgelegd waaruit blijkt dat de inkomensgegevens nog actueel zijn en hij niet over vermogen beschikt.
Bij brief van 27 september 2018 heeft de Raad verzoeker meegedeeld dat verzoeker niet aan de criteria voor betalingsonmacht voldoet en dat zijn beroep op betalingsonmacht wordt afgewezen. Daarbij is verzoeker meegedeeld dat hij een herinnering griffierecht zal krijgen en is hem verzocht het griffierecht binnen de in de herinnering gestelde termijn te betalen. Voorts is erop gewezen dat overschrijding van die termijn kan leiden tot een niet-ontvankelijkverklaring van het verzoek om voorlopige voorziening.
Bij aangetekende brief van 27 september 2018 is verzoeker nogmaals gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en is meegedeeld dat het verschuldigde bedrag binnen één week na dagtekening dient te zijn bijgeschreven op de in die brief genoemde bankrekening dan wel contant op het bezoekadres van de Raad dient te zijn betaald. Daarbij is erop gewezen dat overschrijding van die termijn leidt tot niet-ontvankelijkverklaring van het verzoek om voorlopige voorziening.
De aangetekend verzonden herinnering van 27 september 2018 is door PostNL aan het Landelijke Dienstencentrum voor de Rechtspraak geretourneerd met de mededeling dat deze niet is afgehaald.
Bij brief van 28 september 2018, ontvangen op 2 oktober 2018, heeft verzoeker nieuwe stukken overgelegd.
Bij brief van 8 oktober 2018 heeft de Raad verzoeker meegedeeld dat uit de overgelegde stukken gebleken is dat het verzamelinkomen van verzoeker en het actuele inkomen van verzoeker hoger zijn dan de gestelde norm. Verzoeker is erop gewezen dat de brief van 27 september 2018 waarbij het beroep op betalingsonmacht was afgewezen, gehandhaafd blijft. Daarbij is verzoeker meegedeeld dat hij een nieuwe herinnering griffierecht zal krijgen en is verzoeker verzocht het griffierecht binnen de in de herinnering gestelde termijn te betalen. Voorts is erop gewezen dat overschrijding van die termijn kan leiden tot een niet-ontvankelijkverklaring van het verzoek om voorlopige voorziening.
Bij aangetekende brief van 8 oktober 2018 is verzoeker nogmaals gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en is meegedeeld dat het verschuldigde bedrag binnen één week na dagtekening dient te zijn bijgeschreven op de in die brief genoemde bankrekening dan wel contant op het bezoekadres van de Raad dient te zijn betaald. Daarbij is erop gewezen dat overschrijding van die termijn leidt tot niet-ontvankelijkverklaring van het verzoek om voorlopige voorziening.
Het griffierecht is niet binnen die termijn voldaan.
Het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen moet dan ook kennelijk
niet-ontvankelijk worden verklaard, met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Awb.
Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep verklaart het verzoek
niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut, in tegenwoordigheid van N. Khachatryan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 januari 2019.
(getekend) E.C.R. Schut
(getekend) N. Khachatryan
md