Betrokkene ontving bijstand op grond van de Participatiewet en werd onderzocht vanwege contante stortingen en transacties bij gokinstellingen. Het college trok de bijstand in en vorderde terugbetaling wegens vermoedelijke onrechtmatigheid. De rechtbank verklaarde het beroep van betrokkene deels gegrond voor juni en juli 2016, omdat het college zich onvoldoende op bewijs had gebaseerd.
In hoger beroep stelde het college dat aanvullende bankafschriften over juni en juli 2016 aantonen dat betrokkene ook in die maanden geld opnam bij gokinstellingen. Betrokkene erkende de opnames, maar stelde dat de bedragen te laag waren om het recht op bijstand te ontkennen. De Raad oordeelde dat het college de bewijslast draagt en dat de gokactiviteiten en onvolledige financiële transparantie de vaststelling van het recht op bijstand onmogelijk maken.
De Raad vernietigde het vonnis van de rechtbank, verklaarde het beroep van betrokkene ongegrond en veroordeelde het college tot vergoeding van proceskosten wegens het ontbreken van bankafschriften in het oorspronkelijke dossier. De Raad benadrukte dat ook kleine gokopnames relevant kunnen zijn vanwege mogelijke contante winsten die niet zijn verantwoord.