Appellante had hoger beroep ingesteld tegen een beslissing van het UWV, maar trok dit beroep in nadat het UWV op 26 juli 2018 een gewijzigde beslissing op bezwaar nam die geheel tegemoetkwam aan haar bezwaren.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV op verzoek van appellante in de proceskosten moest worden veroordeeld, begroot op €1.280,- voor rechtsbijstand en €170,34 voor medische informatie. Tevens werd de Staat der Nederlanden veroordeeld tot een schadevergoeding van €500,- wegens overschrijding van de redelijke termijn.
De procedure had in totaal vier jaar en vijf maanden geduurd, waarbij de redelijke termijn met vijf maanden was overschreden. De Raad vond geen rechtvaardiging voor deze overschrijding en baseerde de vergoeding op jurisprudentie die een vergoeding van €500,- per half jaar overschrijding passend acht.
De uitspraak werd gedaan door B.J. van de Griend, in aanwezigheid van griffier L.R. Carlier, op 30 januari 2019.