Appellante, geboren in 1990, kreeg aanvankelijk een Wajong-uitkering toegekend wegens een psychotische stoornis. Na een herbeoordeling in het kader van fraudeonderzoek 'Marque' concludeerde een psychiater dat er geen aanwijzingen waren voor een psychotisch proces, maar dat sprake was van een ongedifferentieerde somatoforme stoornis en persoonlijkheids- en gezinsproblemen. Een verzekeringsarts stelde vast dat appellante minder dan 25% arbeidsongeschikt was, waarop het Uwv haar uitkering beëindigde.
Appellante maakte bezwaar en voerde aan dat zij niet in staat was tot arbeid, mede vanwege haar persoonlijke en gezinskenmerken. Diverse rapporten, waaronder die van een door de Raad benoemde deskundige, bevestigden dat haar beperkingen voortkomen uit persoonlijkheidskenmerken en gezinsinteracties, niet uit een ziekte of stoornis die arbeidsongeschiktheid rechtvaardigt. De verzekeringsarts bezwaar en beroep handhaafde de beoordeling dat appellante in staat is om passende arbeid te verrichten zonder urenbeperking.
De Raad concludeerde dat de mate van arbeidsongeschiktheid juist was vastgesteld en dat de beperkingen niet medisch objectief als ziekteverschijnselen konden worden aangemerkt. Hoewel het besluit aanvankelijk onvoldoende gemotiveerd was, werd dit gebrek gepasseerd omdat het Uwv uiteindelijk tot dezelfde uitkomst kwam. Het hoger beroep van appellante werd afgewezen, met een veroordeling van het Uwv in de proceskosten.