Appellant had hoger beroep ingesteld tegen een beslissing van het UWV inzake een WIA-uitkering. Tijdens de procedure kwam het UWV met een gewijzigde beslissing geheel tegemoet aan de bezwaren van appellant, waarna het hoger beroep werd ingetrokken.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV appellant diende te vergoeden voor de proceskosten in beroep en hoger beroep, alsmede de wettelijke rente over de na te betalen uitkering. Tevens werd een schadevergoeding toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn van de bestuursrechtelijke procedure.
De redelijke termijn was overschreden met vijf maanden, waarvoor een immateriële schadevergoeding van €500 passend werd geacht. Deze werd verdeeld tussen het UWV (€100) en de Staat der Nederlanden (€400) conform de jurisprudentie van de Hoge Raad. Het griffierecht kan appellant rechtstreeks bij het UWV verhalen.
De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 30 januari 2019, waarbij het onderzoek ter zitting achterwege bleef vanwege de intrekking van het hoger beroep.