ECLI:NL:CRVB:2019:3281
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling recht op loongerelateerde WGA-uitkering bij ziekte van Crohn en osteoporose
Appellante viel op 22 april 2014 wegens lichamelijke klachten door de ziekte van Crohn en osteoporose uit voor haar werk als huishoudelijke medewerkster. Na een aanvraag in april 2016 stelde het Uwv aanvankelijk vast dat zij geen recht had op een WIA-uitkering. Dit besluit werd bij bezwaar en beroep bestreden en door de rechtbank Oost-Brabant ongegrond verklaard.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar beperkingen waren onderschat en zij niet in staat was de geduide functies te verrichten. Tijdens de procedure nam het Uwv op 5 april 2019 een gewijzigde beslissing waarin zij een loongerelateerde WGA-uitkering toekende op basis van een arbeidsongeschiktheid van 50,78%. Deze gewijzigde beslissing vormde het nieuwe bestreden besluit.
De Raad oordeelde dat de medische en arbeidskundige onderzoeken, waaronder een Functionele Mogelijkhedenlijst van 28 april 2016, voldoende grondslag boden voor het vastgestelde uitkeringsrecht. De beperkingen van appellante werden niet onjuist geacht en de geselecteerde functies waren passend. Het beroep tegen het oorspronkelijke besluit werd gegrond verklaard en vernietigd, terwijl het beroep tegen het gewijzigde besluit ongegrond bleef.
De Raad veroordeelde het Uwv in de proceskosten van appellante en bepaalde dat het griffierecht aan haar wordt vergoed. De uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend op 16 oktober 2019.
Uitkomst: Het beroep tegen het oorspronkelijke besluit wordt gegrond verklaard en vernietigd, het beroep tegen het gewijzigde besluit wordt ongegrond verklaard.