ECLI:NL:CRVB:2019:331
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang bij WIA-uitkering
Appellante maakte bezwaar tegen besluiten van het UWV omtrent haar WIA-uitkering, waarbij zij een loongerelateerde WGA-uitkering werd toegekend met een arbeidsongeschiktheidsgraad van 67,18%. Tevens werd vastgesteld dat zij vanaf november 2013 in aanmerking kwam voor een WGA-vervolguitkering in de klasse 65 tot 80%.
De rechtbank Midden-Nederland verklaarde het beroep van appellante ongegrond. In hoger beroep stelde appellante dat de IVA-uitkering met ingang van een eerdere datum had moeten worden toegekend. Echter, het UWV heeft op 14 november 2018 een nieuw besluit genomen waarbij het bezwaar van appellante alsnog gegrond werd verklaard en zij met ingang van 9 april 2012 een IVA-uitkering werd toegekend.
Gezien dit nieuwe besluit heeft appellante geen belang meer bij het hoger beroep, omdat zij met het besluit heeft bereikt wat zij nastreefde. Daarom verklaarde de Centrale Raad van Beroep het hoger beroep niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellante.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.