ECLI:NL:CRVB:2019:3405
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herroeping WIA-besluit wegens onvoldoende motivering arbeidsgeschiktheid bij smetvrees
Appellante, laatstelijk werkzaam als medewerker klantenservice, ontving een WGA-uitkering wegens 100% arbeidsongeschiktheid. Het UWV stelde in 2015 haar arbeidsongeschiktheid vast op 54,45%, later verhoogd naar 60,89%. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat haar dwangmatige schoonmaakbehoefte zich niet uitstrekte tot de werkomgeving van de medewerker bloemzaadproductie.
In hoger beroep betoogde appellante dat zij lijdt aan smetvrees, waardoor de functie van medewerker bloemzaadproductie niet passend is. Zij overlegde nieuwe medische rapporten ter onderbouwing. De Raad oordeelde dat het UWV onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de functie medewerker bloemzaadproductie niet is vervallen, terwijl de functie huishoudelijk medewerker gebouwen wel werd vervallen vanwege schoonmaakwerkzaamheden.
De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en het bestreden besluit van het UWV. Omdat onvoldoende passende functies beschikbaar zijn, moet appellante ongewijzigd 100% arbeidsongeschikt worden geacht. Tevens werd het UWV veroordeeld in de proceskosten en het betaalde griffierecht vergoed.
Uitkomst: Het besluit van het UWV wordt vernietigd en appellante wordt ongewijzigd 100% arbeidsongeschikt geacht.