Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2019:3465

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
5 november 2019
Publicatiedatum
6 november 2019
Zaaknummer
17/5833 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 PWArt. 32 PWArt. 48 lid 2 PWArt. 54 lid 3 onder b PWArt. 58 lid 2 onder f PW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking en terugvordering bijstand wegens arbeidsongeschiktheidsuitkering niet gegrond

Appellant, die in december 2015 arbeidsongeschikt werd, vroeg in maart 2016 bijstand aan. Het college kende bijstand toe in de vorm van een geldlening, omdat verwacht werd dat appellant inkomsten zou ontvangen uit een particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekering. Toen deze uitkering met terugwerkende kracht werd toegekend, trok het college de bijstand in en vorderde de kosten terug.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, maar in hoger beroep stelde appellant dat de uitkering geen inkomen maar vermogen betreft, verwijzend naar een arrest van de Hoge Raad uit 2008. De Centrale Raad van Beroep oordeelt echter dat de uitkering als inkomen moet worden aangemerkt omdat deze bedoeld is ter compensatie van verlies aan arbeidsvermogen en vergelijkbaar is met een sociale zekerheidsuitkering.

De Raad vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep gegrond. Het college handhaaft de intrekking niet en wordt veroordeeld in de proceskosten. De terugvordering blijft wel gehandhaafd omdat de uitkering als inkomen geldt.

Uitkomst: De intrekking van de bijstand wordt vernietigd en het college wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

17 5833 PW

Datum uitspraak: 5 november 2019
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van
14 augustus 2017, 17/922 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.P. de Witte, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 oktober 2019. Namens appellant is
mr. De Witte verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. L. Catakli.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant, die in december 2015 is uitgevallen voor zijn werk als zelfstandige, heeft samen met zijn echtgenote op 31 maart 2016 een aanvraag om bijstand ingevolge de Participatiewet (PW) ingediend.
1.2.
Bij besluit van 29 april 2016 heeft het college aan appellant en zijn echtgenote met terugwerkende kracht vanaf 8 januari 2016 bijstand naar de norm voor gehuwden toegekend. De bijstand is met toepassing van artikel 48, tweede lid, van de PW in de vorm van een geldlening verstrekt op de grond dat appellant en zijn echtgenote waarschijnlijk op korte termijn kunnen beschikken over inkomsten uit een bij [BV] afgesloten (particuliere) arbeidsongeschiktheidsverzekering (verzekeringsuitkering).
1.3.
Op 18 oktober 2016 heeft appellant het college verzocht om de bijstand per direct te beëindigen, omdat [BV] met terugwerkende kracht vanaf 24 januari 2016 het verzekerde maandbedrag van € 2.500,- bruto zal gaan uitkeren. Het college heeft aan het verzoek van appellant gevolg gegeven.
1.4.
Bij besluit van 25 oktober 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 16 januari 2017 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van appellant en zijn echtgenote vanaf
24 januari 2016 ingetrokken en de gemaakte kosten van bijstand over de periode van
24 januari 2016 tot en met 31 oktober 2016 (periode in geding) tot een bedrag van € 9.922,10 van hen teruggevorderd. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant en zijn echtgenote inkomsten hebben verkregen uit de (particuliere) arbeidsongeschiktheidsverzekering en dat die inkomsten hoger zijn dan de voor hen geldende bijstandsnorm. Het college heeft, zoals tijdens het hoger beroep schriftelijk toegelicht, daarbij toepassing gegeven aan artikel 54, derde lid, onder b, en artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de PW.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant heeft aangevoerd dat het hier niet gaat om inkomen maar om vermogen. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 3 oktober 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BD5828) is de arbeidsongeschiktheidsverzekering namelijk aan te merken als een zogeheten sommenverzekering, waarbij geen onderscheid wordt gemaakt naar de soort van schade. Er wordt een bepaalde som geld uitgekeerd indien zich een zekere gebeurtenis heeft voorgedaan. Door de nabetaling van de verzekeringsuitkering wordt de grens van het vrij te laten vermogen niet overschreden, zodat het college niet bevoegd was tot intrekking en terugvordering van bijstand.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Vastgesteld wordt dat het college naar aanleiding van het verhandelde ter zitting het bestreden besluit wat betreft de intrekking van bijstand niet wenst te handhaven. Hieruit volgt al dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd.
4.2.
Ten aanzien van de terugvordering is niet in geschil dat de verzekeringsuitkering tot de middelen van appellant als bedoeld in artikel 31, eerste lid, van de PW moet worden gerekend. Evenmin is in geschil dat de verzekeringsuitkering betrekking heeft op een periode waarover bijstand is verleend en waarover appellant pas naderhand heeft kunnen beschikken als bedoeld in artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, ten eerste van de PW. Uitsluitend is in geschil of deze uitkering moet worden aangemerkt als inkomen.
4.3.
De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de verzekeringsuitkering als inkomen in de zin van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, van de PW moet worden aangemerkt. Deze uitkering is bedoeld ter compensatie voor verlies van arbeidsvermogen en komt naar zijn aard overeen met een periodiek te ontvangen bedrag aan (wettelijke) sociale zekerheidsuitkering dat kan worden ingezet voor levensonderhoud, waarop de bijstand slechts behoeft aan te vullen. Een duidelijke aanwijzing hiervoor is dat, zoals is vermeld onder 1.3, appellant op
18 oktober 2016 heeft doorgegeven dat [BV] met terugwerkende kracht vanaf 24 januari 2016 het verzekerde maandbedrag van € 2.500,- bruto zal gaan uitkeren. Tegen deze achtergrond is voor de beoordeling of de verzekeringsuitkering inkomen is in de zin van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, van de PW niet van belang dat volgens het door appellant onder 3 genoemde arrest van de Hoge Raad de arbeidsongeschiktheidsverzekering is aan te merken als een zogeheten sommenverzekering. De beroepsgrond van appellant slaagt dan ook niet.
5. Gelet op 4.1 zal de Raad de aangevallen uitspraak vernietigen. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep gegrond verklaren, het bestreden besluit vernietigen voor zover het de intrekking betreft en het besluit van 25 oktober 2016 in zoverre herroepen. Aanleiding bestaat daarom het college te veroordelen in de kosten van appellant. Deze worden begroot op € 512,- in bezwaar, € 1.024,- in beroep en € 1.024,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 2.560,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • vernietigt de aangevallen uitspraak;
  • verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 16 januari 2017 voor zover het betreft de intrekking;
  • herroept het besluit van 25 oktober 2016 voor zover het betreft de intrekking en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit van 16 januari 2017;
  • veroordeelt het college in de kosten van appellant tot een bedrag van € 2.560,-;
  • bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 170,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel als voorzitter en J.T.H. Zimmerman en J.L. Boxum als leden, in tegenwoordigheid van A.M. Pasmans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 november 2019.
(getekend) W.H. Bel
De griffier is verhinderd te ondertekenen.

IJ