Uitspraak
18.4620 AWBZ
OVERWEGINGEN
BESLISSING
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Centrale Raad van Beroep
Appellante ontving in 2014 een persoonsgebonden budget (pgb) voor zorg op grond van de AWBZ. Het zorgkantoor trok dit pgb per 1 juli 2014 in en vorderde een bedrag terug omdat appellante niet had voldaan aan de verplichting om het pgb deugdelijk te verantwoorden. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze intrekking ongegrond omdat appellante niet overtuigend had aangetoond dat het pgb was gebruikt voor de betaling van zorg.
In hoger beroep voerde appellante aan dat zij voldoende bewijs had geleverd dat het pgb correct was besteed. De Raad oordeelde echter dat appellante de voorschotten over de tweede helft van 2014 had overgemaakt naar haar privérekening en dat de zorgverlener de facturen had verrekend met een geldlening, waardoor het pgb niet was gebruikt voor zorgbetaling.
De Raad kwalificeerde het besluit als een intrekkings- en terugvorderingsbesluit en oordeelde dat het zorgkantoor bevoegd was tot intrekking en terugvordering. Appellante bracht een nieuwe grond te laat in en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. De Raad bevestigde de eerdere uitspraak en wees het verzoek om proceskosten af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van het pgb en wijst het hoger beroep en verzoek om schadevergoeding af.