ECLI:NL:CRVB:2019:3493
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewet-uitkering wegens geschiktheid voor licht zittend werk bevestigd
Appellant was coating medewerker en meldde zich ziek op 27 mei 2013. Na beëindiging van het dienstverband in juli 2013 ontving hij een Ziektewet-uitkering, die het UWV op 25 maart 2015 beëindigde omdat appellant meer dan 65% van zijn oude loon kon verdienen met geselecteerde functies. Later meldde appellant zich opnieuw ziek met toegenomen voet- en enkelklachten. Het UWV beëindigde opnieuw zijn ZW-uitkering per 6 maart 2017, wat door appellant werd bestreden.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat de verzekeringsartsen en arbeidsdeskundige geen aanleiding zagen om te twijfelen aan de geschiktheid van appellant voor zittend, licht fysiek werk. De medische informatie ondersteunde niet dat appellant slechts halve dagen kon werken of dat zijn beperkingen waren onderschat.
In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn verbrijzelde voet en vastgezette enkel hem volledig arbeidsongeschikt maken, met ernstige beperkingen in functioneren en mobiliteit. De Raad overwoog dat de wettelijke maatstaf is of appellant geschikt is voor ten minste één van de geselecteerde functies en dat de rechtbank de beroepsgronden terecht heeft verworpen.
De Raad voegde toe dat de urenbeperking niet medisch onderbouwd is en dat het gebruik van een stok in de geselecteerde functies geen belemmering vormt. Appellant heeft geen nieuwe medische stukken overgelegd die zijn stellingen ondersteunen. Daarom wordt het hoger beroep verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de Ziektewet-uitkering omdat appellant geschikt wordt geacht voor licht zittend werk.