ECLI:NL:CRVB:2019:358
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging wijziging AOW-pensioen vanwege gehuwd zijn en gezamenlijke huishouding
In deze zaak gaat het om besluiten van de Sociale verzekeringsbank (Svb) waarbij de aan appellanten toegekende ouderdomspensioenen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) zijn gewijzigd van de norm voor een ongehuwde naar die voor een gehuwde. Dit leidde tot terugvordering van teveel betaalde pensioenen.
De Svb heeft aangetoond dat appellant vanaf 15 november 2012 zijn hoofdverblijf had op hetzelfde adres als appellante, waarbij appellant zich op dat adres inschreef zonder te vermelden dat het een postadres betrof. Tevens heeft appellant bij zijn AOW-aanvraag in januari 2014 dit adres als woonadres opgegeven, waarbij hij zijn inlichtingenverplichting mogelijk heeft geschonden.
Appellanten konden geen bewijs leveren dat appellant pas in maart 2015 op het adres zijn hoofdverblijf zou hebben gekregen. De Svb hoefde onder deze omstandigheden geen nader onderzoek te verrichten. Gezien het feit dat uit de relatie van appellanten drie kinderen zijn geboren, heeft de Svb terecht een gezamenlijke huishouding vastgesteld en appellanten als gehuwden aangemerkt.
De Centrale Raad van Beroep verklaart de hoger beroepen ongegrond en bevestigt de aangevallen uitspraken. Een proceskostenveroordeling wordt niet toegewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellanten vanaf 15 november 2012 als gehuwden worden aangemerkt en wijzigt hun AOW-pensioen dienovereenkomstig.