ECLI:NL:CRVB:2019:3609
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens gebrek aan procesbelang bij toeslag tweede echtgenote
Appellant, geboren in 1944, ontvangt sinds 1 juli 2009 een AOW-pensioen met een toeslag voor zijn eerste echtgenote. Hij verzocht de toeslag om te zetten naar zijn tweede echtgenote, maar dit werd aanvankelijk afgewezen. Na bezwaar werd het bezwaar ongegrond verklaard wegens het niet verstrekken van benodigde gegevens. Pas na het instellen van beroep verstrekte appellant alsnog de gevraagde gegevens, waarna de Sociale verzekeringsbank (Svb) een toeslag voor de tweede echtgenote toekende, zij het lager dan voor de eerste echtgenote.
De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk wegens gebrek aan procesbelang, omdat het tijdvak vóór november 2017 nog in onderzoek was en appellant inmiddels een toeslag ontving. De Svb stelde later het recht op toeslag over het betwiste tijdvak augustus 2016 tot november 2017 vast. Appellant stelde hoger beroep in tegen de niet-ontvankelijkverklaring, stellende dat het recht op toeslag over juli/augustus 2016 tot oktober 2017 nog niet was vastgesteld.
De Raad oordeelt dat appellant onvoldoende procesbelang heeft omdat het betwiste tijdvak inmiddels door de Svb is beoordeeld en vastgesteld vóór het instellen van het hoger beroep. Appellant reageerde niet op verzoeken van de Raad om zijn procesbelang toe te lichten. Daarom verklaart de Centrale Raad van Beroep het hoger beroep niet-ontvankelijk en wijst het verzoek tot veroordeling in proceskosten af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang.