ECLI:NL:CRVB:2019:3611

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 november 2019
Publicatiedatum
14 november 2019
Zaaknummer
18-396 AOW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1, vijfde lid, AOWArt. 3, vierde lid, Participatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging gezamenlijke huishouding en herziening AOW en AIO-uitkering

Appellanten, voormalig gehuwd en met kinderen uit dat huwelijk, ontvingen AOW-uitkeringen op basis van de norm van een ongehuwde. Na een melding dat appellante onderdak kreeg bij appellant, stelde de Sociale Verzekeringsbank (Svb) vast dat zij vanaf 1 mei 2016 een gezamenlijke huishouding voerden, waarna de AOW- en AIO-uitkeringen werden herzien en teruggevorderd.

De rechtbank verklaarde de beroepen van appellanten tegen deze herziening ongegrond, omdat zij vanaf 22 april 2016 feitelijk op hetzelfde adres woonden en daarmee het onweerlegbare rechtsvermoeden van gezamenlijke huishouding van toepassing was. In hoger beroep voerden appellanten aan dat het samenwonen noodgedwongen was en dat er geen sprake was van zorgverlening of een tijdelijke situatie.

De Raad oordeelde dat de motieven en aard van de relatie niet relevant zijn voor het vaststellen van een gezamenlijke huishouding, maar dat objectieve criteria zoals het hoofdverblijf in dezelfde woning en het bestaan van een kind uit het huwelijk doorslaggevend zijn. Ook de leeftijd van de kinderen is niet van belang. De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en de rechtmatigheid van de herziening en terugvordering van de uitkeringen.

Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten. De uitspraak is openbaar gedaan op 14 november 2019 door de Centrale Raad van Beroep.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellanten vanaf mei 2016 een gezamenlijke huishouding voerden en de herziening en terugvordering van AOW- en AIO-uitkeringen terecht was.

Uitspraak

18.396 AOW, 18/400 AOW

Datum uitspraak: 14 november 2019
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van
5 december 2017, 16/7482 en 16/7490 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
[Appellante] te [woonplaats] (appellante, tezamen ook: appellanten)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
PROCESVERLOOP
Namens appellanten heeft mr. C.A. Boeve, advocaat, hoger beroep ingesteld bij twee afzonderlijke beroepschriften.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 oktober 2019. Appellanten zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. Het Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Marijnissen. De gedingen zijn gevoegd behandeld.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellanten zijn met elkaar gehuwd geweest en uit dit huwelijk zijn kinderen geboren. Beiden ontvingen een pensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) naar de norm van een ongehuwde. Appellant ontving daarnaast ook een aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO-aanvulling). Met een faxbericht van 26 april 2016 heeft appellant de Svb laten weten dat hij appellante onderdak heeft verleend, omdat zij uit haar woning was gezet. Na onderzoek heeft de Svb geconstateerd dat appellanten, met ingang van 1 mei 2016, recht hebben op een AOW-pensioen naar de norm van een gehuwde, evenals een AIO-aanvulling naar die norm. Met een zestal besluiten van allen 28 september 2016 is aan appellanten afzonderlijk de herziening van het AOW-pensioen gemeld, de AIO-aanvulling herzien voor appellant en toegekend aan appellante en is van beiden afzonderlijk het teveel betaalde teruggevorderd.
1.2.
Bij afzonderlijke besluiten van 30 november 2016 (bestreden besluiten) is het bezwaar met betrekking tot de herziening AOW en AIO-aanvulling van appellant en de herziening AOW en toekenning AIO-aanvulling van appellante ongegrond verklaard. Het bezwaar tegen de terugvordering is gegrond verklaard en het bedrag van terugvordering is voor beiden verlaagd.
2. De rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard. De rechtbank heeft eerst overwogen dat appellanten erkennen dat zij vanaf 1 oktober 2016 een gezamenlijke huishouding voeren, zodat de te beoordelen periode zich uitstrekt van 1 mei 2016 tot 1 oktober 2016. Vervolgens is overwogen dat op grond van artikel 1, vijfde lid, aanhef en onder b, van de AOW er in ieder geval sprake is van een gezamenlijke huishouding indien betrokkenen het hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij eerder met elkaar gehuwd zijn geweest en uit dit huwelijk een kind is geboren. Dezelfde regel geldt ten aanzien van de AIO-aanvulling op grond van
artikel 3, vierde lid, van de Participatiewet (Pw). De reden voor het hebben van het hoofdverblijf in dezelfde woning is daarbij niet van belang. Nu vaststaat dat appellanten vanaf 22 april 2016 ingeschreven staan op hetzelfde adres en appellant de Svb heeft laten weten dat appellante ook feitelijk op dit adres woont, staat vast dat zij daar hun hoofdverblijf hebben. Hieruit volgt het onweerlegbaar rechtsvermoeden dat zij een gezamenlijke huishouding voeren en dus als gehuwd samenwonenden aangemerkt moeten worden in de zin van de AOW en de Pw. Er bestaat volgens de rechtbank geen reden de beroepen tegen de terugvorderingen gegrond te verklaren.
3. In hoger beroep bestrijden appellanten de aangevallen uitspraak met name door te stellen dat het wonen op hetzelfde adres uit nood was geboren, dat er geen sprake was van het verlenen van zorg aan elkaar, dat de kinderen van hen niet jong meer zijn en al vele jaren geleden ‘het huis uit gegaan’ zijn.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Vastgesteld wordt dat het geding betreft de vraag of appellanten in de periode mei 2016 tot oktober 2016 een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd als bedoeld in de AOW en de Pw. In artikel 1, vijfde lid, van de AOW en artikel 3, vierde lid, van de Pw is neergelegd in welke gevallen in ieder geval een gezamenlijke huishouding aanwezig wordt geacht. Daarvan is in ieder geval sprake als betrokkenen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en uit hun (vroegere) relatie een kind is geboren.
4.2.
Uit de door appellanten gegeven toelichting blijkt dat zij feitelijk op hetzelfde adres woonden, nu dit reeds de woning van appellant was en appellante geen andere woning meer had, nadat ze haar vroegere woning moest verlaten. Het feit dat het hebben van het hoofdverblijf in dezelfde woning, naar de stelling van appellanten, noodgedwongen was, maakt dit niet anders. De vraag of in een bepaald geval sprake is van een gezamenlijke huishouding dient te worden beantwoord aan de hand van objectieve criteria. Daarbij zijn omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven van de betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie niet van belang. Daarbij wordt aangetekend dat niet gesproken kan worden van een tijdelijke situatie, nu appellant heeft aangegeven dat hij voor zes maanden aan appellante een kamer ter beschikking had gesteld en appellanten aangeven vanaf oktober 2016 een gezamenlijke huishouding te voeren.
4.3.
Volgens vaste rechtspraak (zie de uitspraak van de Raad van 15 juni 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM8024) is het onweerlegbare rechtsvermoeden van toepassing ongeacht de leeftijd van het uit een relatie geboren kind. Dit betekent dat bij de beoordeling van de gezamenlijke huishouding over de hier aan de orde zijnde periode geen betekenis toekomt aan de leeftijd van de kinderen en het feit dat ze niet meer in de ouderlijke woning woonachtig zijn. Nu de Svb terecht heeft vastgesteld dat appellanten vanaf mei 2016 een gezamenlijke huishouding voeren, is zij ook terecht overgegaan tot het herzien en terugvorderen van de teveel betaalde uitkering, van zowel de AOW als de AIO-aanvulling. Tegen de berekening van de teruggevorderde bedragen hebben appellanten niets aangevoerd.
4.4.
Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat de rechtbank de beroepen terecht ongegrond heeft verklaard. De aangevallen uitspraak zal dan ook bevestigd worden.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries, in tegenwoordigheid van B. Dogan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 november 2019.
(getekend) T.L. de Vries
De griffier is verhinderd te ondertekenen.
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over gezamenlijke huishouding.