ECLI:NL:CRVB:2019:3612
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing nabestaandenuitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant heeft een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW) aangevraagd na het overlijden van zijn echtgenote in 2015. Hij stelde dat hij meer dan 45% arbeidsongeschikt was, een vereiste voor het recht op uitkering. De Sociale verzekeringsbank (Svb) liet het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) een onderzoek uitvoeren, dat concludeerde dat appellant minder dan 45% arbeidsongeschikt was.
De rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelde dat het onderzoek van het Uwv zorgvuldig was uitgevoerd en dat appellant de hem voorgehouden functies kon vervullen. Zij verklaarde het bezwaar ongegrond en wees erop dat een verslechtering van de medische toestand na het overlijden niet relevant is voor de ANW.
In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat zijn beperkingen ernstiger zijn dan aangenomen, maar de Centrale Raad van Beroep stelt dat de medische beoordeling zorgvuldig en op juiste gronden is uitgevoerd. Appellant heeft geen nieuwe medische stukken overgelegd die twijfel aan de beoordeling rechtvaardigen. De Raad bevestigt daarom het oordeel van de rechtbank en verklaart het beroep ongegrond.
Uitkomst: Appellant heeft geen recht op een nabestaandenuitkering omdat hij ten tijde van het overlijden van zijn echtgenote niet minimaal 45% arbeidsongeschikt was.