ECLI:NL:CRVB:2019:364
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing herhaalde aanvraag WAO-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten
Appellant heeft in 2005 een WAO-uitkering aangevraagd die in 2006 werd afgewezen omdat niet was gebleken dat hij tijdens een verzekerde periode arbeidsongeschikt was geworden. In een eerdere uitspraak in 2012 bevestigde de Raad dat appellant niet verzekerd was ten tijde van zijn ziekmelding in 1997 en dat hij geen aanspraak kon maken op WAO.
In 2016 diende appellant een herhaalde aanvraag in voor een WAO-uitkering, opnieuw stellende dat hij ziek was en niet kon werken. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) wees deze aanvraag af omdat er geen nieuwe feiten of omstandigheden waren die aanleiding gaven om het eerdere besluit te herzien.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond, omdat hij geen nieuwe feiten had aangevoerd en medische informatie die hij in beroep overlegde te laat was ingediend en niet relevant was voor de verzekeringsperiode.
In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt herhaald, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de herhaalde aanvraag een herhaling was van de eerdere aanvraag en dat het Uwv terecht het besluit van 2006 handhaafde. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep wijst het hoger beroep af en bevestigt de afwijzing van de herhaalde WAO-aanvraag wegens het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.