ECLI:NL:CRVB:2019:3643

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
15 november 2019
Publicatiedatum
15 november 2019
Zaaknummer
18/6036 PW-V
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 8:108 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkheid in hoger beroep sociaal zekerheidsrecht ongegrond verklaard

De appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland in een sociaal zekerheidsrechtelijke zaak. De Raad verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk omdat het hogerberoepschrift niet tijdig was ingediend en er geen verschoonbare reden voor de termijnoverschrijding was.

Appellant heeft vervolgens verzet gedaan tegen deze niet-ontvankelijkverklaring. Tijdens de zitting van 4 oktober 2019 waren partijen niet aanwezig. In het verzet werden alleen inhoudelijke gronden aangevoerd en een toelichting gegeven op een verzoek aan het college om nadere stukken op te vragen, maar er werden geen feiten of omstandigheden aangedragen die de termijnoverschrijding konden rechtvaardigen.

De Raad oordeelt dat het verzet daarom ongegrond is en verklaart het verzet niet-ontvankelijk. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door C.H. Bangma, in aanwezigheid van griffier J. Smolders.

Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

Datum uitspraak: 15 november 2019
18/6036 PW-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:55, zevende lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 19 september 2018, 18/2554 en 18/3029 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Zeewolde (college)

PROCESVERLOOP

Bij uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht van 21 mei 2019 heeft de Raad het door appellant ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.
Appellant heeft verzet gedaan.
Het verzet is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 4 oktober 2019. Partijen zijn niet verschenen.

OVERWEGINGEN

De uitspraak van de Raad van 21 mei 2019 berust op de overwegingen dat het hogerberoepschrift niet tijdig is ingediend, en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest.
In verzet heeft appellant slechts inhoudelijke gronden aangevoerd en een toelichting gegeven op het verzoek aan het college tot het opvragen van nadere stukken.
Van feiten of omstandigheden die leiden tot het oordeel dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is, is niet gebleken.
Dit betekent dat het verzet niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Voor een veroordeling in de proceskosten van het verzet ziet de Raad geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma, in tegenwoordigheid van J. Smolders als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 november 2019
(getekend) C.H. Bangma
De griffier is verhinderd te ondertekenen.

VC