Uitspraak
18.4116 WIA
OVERWEGINGEN
2 augustus 2017. Appellante heeft verzocht om een inhoudelijke beoordeling van de vraag of de werknemer per einde wachttijd in aanmerking komt voor een IVA-uitkering.
Centrale Raad van Beroep
Appellante, een werkgever, maakte bezwaar tegen besluiten van het UWV met betrekking tot de loondoorbetalingsverplichting en de toekenning van een IVA-uitkering aan een werknemer die ziek was gemeld wegens hartklachten. Het UWV had de loondoorbetalingsverplichting verlengd en later verkort, en de werknemer een IVA-uitkering toegekend per 24 april 2017.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen het besluit tot toekenning van de IVA-uitkering ongegrond, omdat de loonsanctiebesluiten in rechte vaststaan en de IVA-uitkering correct was toegekend vanaf het moment dat de loondoorbetalingsverplichting eindigde. Appellante wilde dat de IVA-uitkering eerder zou ingaan, maar dat kon niet worden bereikt via het beroep tegen de toekenning.
In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunten, maar de Raad oordeelde dat uit het bezwaarschrift niet blijkt dat bezwaar was gemaakt tegen de loonsanctie. De Raad zag geen aanleiding om anders te oordelen dan de rechtbank en bevestigde de aangevallen uitspraak. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.