ECLI:NL:CRVB:2019:3781
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging recht op loongerelateerde WIA-uitkering tot 31 maart 2017 na zorgvuldig medisch onderzoek
Appellant, laatstelijk werkzaam als adviseur/trainer, meldde zich ziek met fysieke en psychische klachten en ontving een uitkering op grond van de Werkloosheidswet. Na een medisch en arbeidskundig onderzoek stelde het Uwv vast dat appellant niet geschikt was voor zijn laatstverricht werk, maar nog beperkt belastbaar was, wat leidde tot een loongerelateerde WIA-uitkering tot 31 maart 2017.
Appellant betwistte de mate van arbeidsongeschiktheid en voerde aan dat zijn beperkingen werden onderschat en dat een onafhankelijke deskundige moest worden ingeschakeld. Hij overlegde meerdere verzekeringsgeneeskundige rapporten ter onderbouwing.
De rechtbank oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst van 22 juli 2016 juist waren vastgesteld. Het verzoek tot inschakeling van een onafhankelijke deskundige werd afgewezen. In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep dit oordeel, wijzend op de onvoldoende onderbouwing van het tegenrapport en het tijdsverloop tussen de onderzoeken.
De Raad concludeert dat er geen reden is om te twijfelen aan de geschiktheid van de geselecteerde functies en bevestigt het bestreden besluit. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant recht heeft op een loongerelateerde WIA-uitkering tot 31 maart 2017 en wijst het hoger beroep af.