Uitspraak
BESLISSING
- bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;
- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Centrale Raad van Beroep
Appellante had bij het college van burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen een aanvraag ingediend voor bijstand op grond van de Participatiewet. Deze aanvraag werd afgewezen omdat zij niet de gevraagde bankafschriften van de vennootschap onder firma, waarvan zij en haar ex-echtgenoot vennoten waren, had verstrekt. Hierdoor kon het college haar financiële situatie niet vaststellen en beoordelen of zij bijstand behoefde.
De rechtbank had het beroep van appellante tegen het besluit van 16 juni 2016 gegrond verklaard en het college verplicht om bijstand toe te kennen met ingang van 18 augustus 2015. Het geschil betrof de periode van 25 juni 2015 tot 18 augustus 2015, waarin de bijstand was geweigerd.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de bewijslast van bijstandbehoevendheid bij de aanvrager ligt en dat appellante onvoldoende duidelijkheid heeft gegeven over haar financiële situatie door het niet overleggen van de bankafschriften. Het argument van appellante dat deze gegevens niet relevant zouden zijn, wordt verworpen. Ook het feit dat haar uitschrijving als medevennoot terugwerkende kracht had, doet hier niet aan af.
Het hoger beroep wordt verworpen en de eerdere uitspraak bevestigd. Er is geen aanleiding voor vergoeding van schade of proceskosten. De beslissing is genomen door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 19 november 2019.
Uitkomst: De afwijzing van bijstand over de periode 25 juni tot 18 augustus 2015 wordt bevestigd wegens het niet overleggen van bankafschriften.