Uitspraak
17.7772 PW-PV
BESLISSING
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving bijstand op grond van de Participatiewet en het college bracht maandelijks €250,- in mindering op deze bijstand over de periode maart tot en met oktober 2016. Appellant stelde dat deze bedragen leningen waren die hij had afgesloten om in zijn levensonderhoud te voorzien, en dat hij geen ander inkomen had in die periode.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak in hoger beroep. De Raad overwoog dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de ontvangen bedragen daadwerkelijk leningen waren, zoals vereist door vaste rechtspraak. Er ontbrak bewijs over de identiteit van de geldschieters, de voorwaarden van de leningen, en het feit dat de bedragen terugbetaald moesten worden.
Verder bleek uit de verklaringen dat de terugbetalingsverplichting afhankelijk was gesteld van toekomstige onzekere gebeurtenissen, waardoor niet van een lening in juridische zin kon worden gesproken. Appellant had ook geen aanvullende verklaringen of getuigen overgelegd ondanks daartoe in de gelegenheid gesteld te zijn.
De Raad oordeelde daarom dat de bedragen terecht als inkomen in mindering op de bijstand zijn gebracht en wees het beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de bedragen terecht als inkomen in mindering op de bijstand zijn gebracht wegens onvoldoende bewijs van leningen.