ECLI:NL:CRVB:2019:3824
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand en terugvordering wegens verzwegen vermogen en niet-gemelde schade-uitkering
Appellante had bij de aanvraag van bijstand nagelaten te melden dat zij over vermogen beschikte in de vorm van sieraden met een waarde van €15.570,-, wat het vrij te laten vermogen van €5.480,- oversteeg. Daarnaast meldde zij niet de ontvangst van een schade-uitkering van €3.500,- in maart 2015. De rechtbank had het beroep tegen de herziening en terugvordering van bijstand ongegrond verklaard omdat appellante de inlichtingenverplichting had geschonden.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat de sieraden pas in juni 2012 daadwerkelijk in haar bezit waren gekomen en dat zij schulden van €15.000,- had die van het vermogen afgetrokken moesten worden. De Raad oordeelde dat dit niet aannemelijk was gemaakt, mede omdat de leenovereenkomsten geen concrete terugbetalingsverplichting bevatten en leningen volgens de Participatiewet gemeld hadden moeten worden.
De Raad verwierp het hoger beroep en bevestigde het oordeel van de rechtbank dat de meldingsplicht was geschonden en dat er geen dringende redenen waren om van terugvordering af te zien. De morele verplichting tot terugbetaling van de leningen deed hieraan niet af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De intrekking van bijstand en terugvordering wegens niet gemeld vermogen en schade-uitkering wordt bevestigd.