ECLI:NL:CRVB:2019:3824

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 december 2019
Publicatiedatum
2 december 2019
Zaaknummer
17/4046 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:67 AwbArt. 31 Participatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking bijstand en terugvordering wegens verzwegen vermogen en niet-gemelde schade-uitkering

Appellante had bij de aanvraag van bijstand nagelaten te melden dat zij over vermogen beschikte in de vorm van sieraden met een waarde van €15.570,-, wat het vrij te laten vermogen van €5.480,- oversteeg. Daarnaast meldde zij niet de ontvangst van een schade-uitkering van €3.500,- in maart 2015. De rechtbank had het beroep tegen de herziening en terugvordering van bijstand ongegrond verklaard omdat appellante de inlichtingenverplichting had geschonden.

Appellante voerde in hoger beroep aan dat de sieraden pas in juni 2012 daadwerkelijk in haar bezit waren gekomen en dat zij schulden van €15.000,- had die van het vermogen afgetrokken moesten worden. De Raad oordeelde dat dit niet aannemelijk was gemaakt, mede omdat de leenovereenkomsten geen concrete terugbetalingsverplichting bevatten en leningen volgens de Participatiewet gemeld hadden moeten worden.

De Raad verwierp het hoger beroep en bevestigde het oordeel van de rechtbank dat de meldingsplicht was geschonden en dat er geen dringende redenen waren om van terugvordering af te zien. De morele verplichting tot terugbetaling van de leningen deed hieraan niet af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De intrekking van bijstand en terugvordering wegens niet gemeld vermogen en schade-uitkering wordt bevestigd.

Uitspraak

17.4046 PW-PV

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 11 april 2017, 16/2986 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Oss (college)
Datum uitspraak: 2 december 2019
Zitting heeft: W.H. Bel
Griffier: J. Beerens
Appellante is op de zitting van 26 november 2019 verschenen, bijgestaan door
mr. K. Akdeniz, advocaat. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door
E. Nieuwenhuizen. De Raad heeft, na sluiting van het onderzoek ter zitting, met toepassing van artikel 8:67, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht bepaald dat mondeling uitspraak wordt gedaan en dat die uitspraak wordt verdaagd tot 2 december 2019.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
1. Bij besluit van 24 november 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van
30 augustus 2016 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van appellante over de periode van 31 december 2010 tot en met 27 februari 2012 en maart 2015 herzien (lees: ingetrokken) en de gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 10.090,- van appellante teruggevorderd. Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat appellante de inlichtingenverplichting heeft geschonden door bij de aanvraag om bijstand geen melding te maken van het bezit van vermogen in de vorm van sieraden boven de grens van het vrij te laten vermogen en door niet te melden dat zij in maart 2015 een schade-uitkering van
€ 3.500,- heeft ontvangen.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank, samengevat, het volgende overwogen. De onderzoeksbevindingen bieden voldoende aanknopingspunten voor de conclusie dat appellante de inlichtingenverplichting heeft geschonden. De omstandigheid dat de sieraden volgens appellante pas in juni 2012 daadwerkelijk in haar bezit zijn gekomen doet er niet aan af dat deze sieraden appellante toebehoorden. De sieraden zijn op 12 juni 2012 door X getaxeerd op een bedrag van € 15.570,- en vertegenwoordigen daarmee een waarde die het destijds vrij te laten vermogen van € 5.480,- ver oversteeg. Appellante wordt niet gevolgd in haar stelling dat haar schulden ter hoogte van € 15.000,- ten onrechte niet van haar vermogen zijn afgetrokken. Appellante heeft met de overgelegde leenovereenkomsten niet aannemelijk gemaakt wanneer welke bedragen zijn geleend. Evenmin blijkt van een daadwerkelijke terugbetalingsverplichting. Ook indien appellante de leningen daadwerkelijk zou hebben afgesloten, had zij daarvan, gelet op artikel 31, tweede lid, van de Participatiewet, melding moeten maken, omdat leningen niet uitgesloten zijn van het middelenbegrip. Ook ten aanzien van de in maart 2015 van de verzekering ontvangen vergoeding van € 3.500,- in verband met een zoekgeraakte koffer met daarin € 1.000,- heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat appellante dat bij het college had moeten melden. De omstandigheid dat dit bedrag minder bedraagt dan het vrij te laten vermogen doet aan die meldingsplicht niet af. Van dringende redenen om van terugvordering af te zien is geen sprake.
3. De gronden die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd zijn in essentie een herhaling van de gronden in beroep. De rechtbank is in de aangevallen uitspraak gemotiveerd op deze beroepsgronden ingegaan. Appellante heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde weerlegging van die gronden onjuist of onvolledig is. De Raad kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en de overwegingen waarop dat oordeel rust. De Raad voegt daar voor wat betreft de gestelde leningen nog aan toe dat het feit dat appellante een morele verplichting ervaart om deze leningen terug te betalen wanneer haar middelen dat toelaten, er niet aan afdoet dat van een concrete, aan de leningen verbonden terugbetalingsverplichting geen sprake is. Het hoger beroep slaagt daarom niet.
4. Voor een veroordeling in de vergoeding van proceskosten bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) J. Beerens (getekend) W.H. Bel