ECLI:NL:CRVB:2019:3831
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen inhouding vakantiegeld bij bijstandsuitkering
In deze zaak gaat het om de inhouding en verrekening van vakantiegeld op een bijstandsuitkering. Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam had bij besluit van 29 november 2016 een bedrag aan betaalde bijstand teruggevorderd en bepaald dat vakantiegeld in mei niet zou worden uitbetaald maar verrekend met deze vordering. In mei 2018 werd dit vakantiegeld daadwerkelijk ingehouden, waarop appellante bezwaar maakte tegen deze inhouding.
Het college verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat de uitkeringsspecificatie van mei 2018 geen zelfstandig besluit vormde maar een uitvoeringshandeling van het eerdere besluit uit 2016. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep tegen deze niet-ontvankelijkverklaring ongegrond. Appellante stelde in hoger beroep dat zij pas na ontvangst van de specificatie bezwaar kon maken omdat de beslagvrije voet toen pas bekend was.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de uitkeringsspecificatie een herhaling is van het eerdere besluit en geen nieuw besluit in de zin van de Awb. Omdat de beslagvrije voet gedurende de opbouwperiode van het vakantiegeld niet is gewijzigd en het inkomen niet onder deze voet was gekomen, stond al vast welke beslagvrije voet van toepassing was. Het bezwaar tegen de specificatie was daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het hoger beroep wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het bezwaar tegen de inhouding van vakantiegeld is terecht niet-ontvankelijk verklaard en het hoger beroep wordt afgewezen.