Appellante, voormalig werknemer, ontving in 2015 een ontslagvergoeding en een nabetaling van salaris. Zij diende in 2016 twee aanvragen om bijstand in, die door het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam werden afgewezen wegens onvoldoende duidelijkheid over de besteding van de ontvangen gelden. Het college stelde dat zonder volledige openheid het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld en vorderde de verstrekte voorschotten terug.
De rechtbank Rotterdam verklaarde de beroepen tegen deze besluiten ongegrond. In hoger beroep voerde appellante aan dat het college het recht op bijstand ten onrechte niet had vastgesteld en dat de nabetaling van salaris niet had mogen worden betrokken bij de beoordeling. Tevens stelde zij dat zij alle relevante gegevens had verstrekt en geen beschikking meer had over de ontvangen bedragen.
De Raad oordeelde dat het college terecht had geoordeeld dat onvoldoende duidelijkheid bestond over de besteding, mede omdat appellante contante opnames had gedaan zonder verifieerbare bestedingsgegevens. Ook het argument dat het recht op bijstand per 8 februari 2017 was toegekend, maakte niet dat het college eerder had moeten besluiten. De hoger beroepen werden verworpen en de aangevallen uitspraken bevestigd.