ECLI:NL:CRVB:2019:4088
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging gezamenlijke huishouding en herziening AOW-pensioen voor ongehuwd samenwonenden
Appellant ontvangt sinds januari 2011 een AOW-pensioen naar de norm voor een ongehuwde. Naar aanleiding van signalen over een gewijzigde woonsituatie heeft de Sociale Verzekeringsbank (Svb) een onderzoek uitgevoerd, inclusief een huisbezoek op 7 januari 2016. Op basis hiervan heeft de Svb vastgesteld dat appellant en X vanaf 4 april 2012 een gezamenlijke huishouding voeren.
De Svb heeft het AOW-pensioen van appellant bij besluit van 26 februari 2016 herzien en gewijzigd in de norm voor een ongehuwd samenwonende zonder toeslag, wat bij bezwaar is gehandhaafd. De rechtbank Limburg heeft dit besluit bevestigd. Appellant stelde in hoger beroep dat er geen sprake is van wederzijdse zorg en dat hij onvoldoende inspraak had in eerdere procedures.
De Raad oordeelt dat appellant en X wel degelijk een gezamenlijke huishouding voeren, aangezien zij beiden hun hoofdverblijf hebben op hetzelfde adres en blijk geven van wederzijdse zorg, zoals gezamenlijke huishoudelijke taken, financiële en zorgondersteuning. De eerdere procedure en vermeende gebrekkige inspraak zijn niet relevant voor de beoordeling van de huidige situatie. Het hoger beroep wordt verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de herziening van het AOW-pensioen naar de norm voor ongehuwd samenwonenden zonder toeslag wordt bevestigd.