ECLI:NL:CRVB:2019:4119
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzondere bijstand voor woonkostentoeslag wegens niet-naleving verhuisplicht
In deze zaak ging het om het hoger beroep tegen de afwijzing van bijzondere bijstand in de vorm van een woonkostentoeslag voor de door appellant gehuurde woning. Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam had de bijzondere bijstand geweigerd omdat appellant niet had voldaan aan de verhuisplicht die eerder was opgelegd en onvoldoende pogingen had gedaan om een goedkopere woning te vinden. Tevens had appellant niet binnen drie maanden een urgentieverklaring aangevraagd.
De voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam had het beroep van appellant eerder ongegrond verklaard. De Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel. De Raad oordeelde dat het beleid van het college, dat bijzondere bijstand voor hoge woonlasten slechts onder strikte voorwaarden en voor een beperkte periode verleent, als buitenwettelijk begunstigend beleid moet worden beschouwd. Dit beleid wordt getoetst op consistente toepassing.
Appellant stelde dat hij voldoende pogingen had gedaan door 28 keer te reageren op woningen en een urgentieverklaring te hebben aangevraagd. De Raad oordeelde echter dat appellant in meerdere maanden niet of onvoldoende had gereageerd op passende woningen en niet tijdig de urgentieverklaring had aangevraagd. Ook waren de overgelegde verklaringen onvoldoende om bijzondere omstandigheden aan te tonen. Daarom handelde het college conform het beleid en was het hoger beroep ongegrond.
De Centrale Raad van Beroep wees het hoger beroep af en bevestigde de eerdere uitspraak van de voorzieningenrechter. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van bijzondere bijstand bevestigd.