Appellant, die zich ziek meldde in mei 2014, ontving een WIA-uitkering met een arbeidsongeschiktheidspercentage vastgesteld op basis van drie functies. Na bezwaar werd dit percentage licht aangepast, maar de rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat zijn beperkingen, met name door diabetes en het gebruik van een insulinepomp, onvoldoende waren meegewogen en dat sommige functies ongeschikt waren.
De Raad oordeelde dat de verzekeringsarts onvoldoende rekening hield met de noodzaak om geluidssignalen van de insulinepomp te kunnen horen, waardoor functies met gehoorbescherming niet geschikt zijn. De functie van procesoperator werd daarom vervallen verklaard. Andere functies bleken wel geschikt. De Raad vernietigde het bestreden besluit en beval het UWV een nieuwe beslissing te nemen.
De Raad wees ook de vordering tot schadevergoeding af vanwege het ontbreken van een definitieve beslissing, maar veroordeelde het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. Hiermee is het geschil over de juiste mate van arbeidsongeschiktheid nog niet definitief beslecht.