ECLI:NL:CRVB:2019:4314
Centrale Raad van Beroep
- Proces-verbaal
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens niet gemelde op geld waardeerbare werkzaamheden
In deze zaak staat de intrekking en terugvordering van bijstand centraal over de periode van 9 december 2016 tot 30 november 2017. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Smallingerland heeft bij besluit van 5 juli 2018 het intrekkings- en terugvorderingsbesluit gehandhaafd omdat appellant zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet te melden dat hij werkzaamheden verrichtte voor een bedrijf.
De rechtbank Noord-Nederland heeft dit besluit bevestigd en de Centrale Raad van Beroep heeft het hoger beroep van appellant ongegrond verklaard. Uit verklaringen van appellant zelf, een derde en diverse Facebookberichten blijkt dat appellant daadwerkelijk werkzaamheden verrichtte die economisch op geld waardeerbaar zijn. De stelling van appellant dat hij vanwege zijn ziekte niet in staat was tot dergelijke werkzaamheden, wordt niet aanvaard.
Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij recht op aanvullende bijstand had in de beoordelingsperiode, mede omdat hij geen administratie of objectieve gegevens kon overleggen. De Raad bevestigt dat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld en dat de intrekking en terugvordering daarom in stand blijven. Er wordt geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand worden bevestigd wegens niet gemelde op geld waardeerbare werkzaamheden.