ECLI:NL:CRVB:2019:4316
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A. Stehouwer
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek om herziening wegens niet-toereikend nieuw feit in bestuursrechtelijke zaak
Verzoekster heeft bij de Centrale Raad van Beroep een verzoek om herziening ingediend tegen een eerdere uitspraak waarin haar beroepschrift wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk werd verklaard. Zij stelde dat de klachten veroorzaakt door een in 1999 geplaatst bekkenbodemmatje een verschoonbare termijnoverschrijding rechtvaardigen, mede gebaseerd op een uitspraak van een Amerikaanse rechter die het gebruik van dergelijke matjes verbood.
De Raad beoordeelde het verzoek aan de hand van artikel 8:119 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, dat stelt dat herziening alleen mogelijk is bij feiten die vóór de uitspraak plaatsvonden, niet bekend waren en tot een andere uitspraak zouden hebben geleid. Hoewel het oordeel van de Amerikaanse rechter een nieuw feit vormde, bevatte het geen aanwijzingen dat verzoekster op het moment van de termijnoverschrijding klachten had, en kon het dus geen verschoonbaarheid aantonen.
Daarom concludeerde de Raad dat het verzoek om herziening niet aan de voorwaarden voldeed en wees het af. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door A. Stehouwer, in aanwezigheid van griffier D. Bakker.
Uitkomst: Het verzoek om herziening wordt afgewezen omdat het aangevoerde nieuwe feit niet tot een andere uitspraak zou hebben geleid.