ECLI:NL:CRVB:2019:4327

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
20 december 2019
Publicatiedatum
23 december 2019
Zaaknummer
19/224 WAO-V
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 13 EVRMArt. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 8:108 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet ongegrond wegens niet tijdige betaling griffierecht in hoger beroep sociale zekerheid

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen uitspraken van de rechtbank Den Haag, maar de Raad heeft deze hoger beroepen niet-ontvankelijk verklaard vanwege het niet tijdig betalen van het griffierecht. Appellante heeft hiertegen verzet aangetekend.

De Raad heeft het verzet behandeld en vastgesteld dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij redelijkerwijs niet in verzuim was met de betaling van het griffierecht. Hoewel appellante stelde dat haar recht op toegang tot de rechter en het recht om te worden gehoord zijn geschonden, en dat haar financiële gegevens zouden zijn vervalst, vond de Raad hiervoor geen grond.

Appellante had een verzoek om vrijstelling van het griffierecht kunnen indienen, maar heeft de daarvoor benodigde verklaring niet tijdig teruggezonden, waardoor het verzoek niet inhoudelijk kon worden beoordeeld. Het beroep op artikel 6 EVRM Pro faalde omdat appellante niet aannemelijk maakte dat het griffierecht haar wezenlijk belemmerde in haar toegang tot de rechter.

De Raad concludeert dat er geen sprake is van schending van de eisen van een goede procesorde of fundamentele rechtsbeginselen en verklaart het verzet ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzet wordt ongegrond verklaard vanwege niet tijdige betaling van het griffierecht en geen schending van fundamentele rechtsbeginselen.

Uitspraak

Datum uitspraak: 20 december 2019
19/224 WAO-V, 19/226 BESLU-V, 19/227 BESLU-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:55, zevende lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Den Haag van 3 januari 2019, 18/3229, 18/3191 en 18/4252 (aangevallen uitspraken)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

PROCESVERLOOP

Bij drie uitspraken als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht van 21 augustus 2019 heeft de Raad de door appellante ingestelde hoger beroepen tegen de aangevallen uitspraken niet-ontvankelijk verklaard.
Appellante heeft verzet gedaan.
Het verzet is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 15 november 2019. Partijen zijn niet verschenen.

OVERWEGINGEN

De uitspraken van de Raad van 21 augustus 2019 berusten op de overwegingen dat het griffierecht niet binnen de in de brief van 22 februari 2019 gestelde termijn is betaald en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellante niet in verzuim is geweest.
In verzet heeft appellante te kennen gegeven dat zij naar aanleiding van de door haar ontvangen nota’s voor voldoening van het griffierecht niet om vrijstelling van het griffierecht heeft verzocht. Naar de mening van appellante is sprake van schending van de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Ook is appellante van mening dat haar recht om te worden gehoord is geschonden en voert zij aan dat dat haar financiële gegevens zijn vervalst en verduisterd.
De Raad ziet in wat door appellante is aangevoerd geen grond voor het oordeel dat appellante redelijkerwijs niet in verzuim is geweest. Appellante heeft bij brieven van 24 januari 2019 haar bezwaren geuit tegen de nota’s voor voldoening van het griffierecht. De Raad heeft deze brief aangemerkt als een verzoek om vrijstelling van het griffierecht en appellante bij brief van 4 februari 2019 een verklaring toegezonden en verzocht deze verklaring binnen twee weken te retourneren. Appellante is er daarbij op gewezen dat het beroep op betalingsonmacht wordt afgewezen als de verklaring niet op tijd is teruggestuurd. Appellante heeft de verklaring niet teruggestuurd, waarna de Raad het verzoek om vrijstelling van het griffierecht heeft afgewezen. De Raad is hierdoor niet aan een inhoudelijke beoordeling van het vrijstellingsverzoek toegekomen. Voor zover appellante heeft willen betogen dat de hoogte van het griffierecht in haar geval de toegang tot de rechter belemmert en dat dit strijd oplevert met artikel 6 van Pro het EVRM, slaagt dit betoog niet. Appellante heeft binnen de gestelde termijn niet aannemelijk gemaakt dat zij in onmacht verkeerde om het griffierecht tijdig te voldoen en heeft nagelaten de vereiste stukken voor een beroep op betalingsonmacht toe te zenden. Er is dan ook geen grond voor het oordeel dat het op grond van artikel 8:109, eerste lid, aanhef en onder a, Awb geheven griffierecht van in totaal € 384,- appellante wezenlijk heeft belemmerd in haar recht op toegang tot de rechter.
Voor zover appellante stelt dat zij nooit een beroep op betalingsonmacht heeft gedaan, merkt dat Raad op dat appellante ook in dat geval griffierecht verschuldigd is en het griffierecht binnen de gestelde termijn had moeten voldoen.
Ingevolge artikel 8:54, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb, kan totdat partijen zijn uitgenodigd om op een zitting van de bestuursrechter te verschijnen, de bestuursrechter het onderzoek sluiten, indien voorzetting van het onderzoek niet nodig is omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is. Van schending van eisen van een goede procesorde of van fundamentele rechtsbeginselen door appellante niet te horen voorafgaand aan de uitspraken van de Raad van 21 augustus 2019 is geen sprake geweest.
Dit betekent dat het verzet ongegrond wordt verklaard.
Voor een proceskostenveroordeling van het verzet is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma, in tegenwoordigheid van E.D. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 december 2019.
(getekend) C.H. Bangma
(getekend) E.D. de Jong
GdJ