ECLI:NL:CRVB:2019:480
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A. Stehouwer
- M.A.H. van Dalen-van Bekkum
- M. Schoneveld
- Rechtspraak.nl
Verlaging bijstand wegens weigering baard af te scheren voor asbestopleiding geen schending godsdienstvrijheid
Appellant ontvangt bijstand en weigert deel te nemen aan een opleiding tot Deskundige Asbest Verwijderaar (DAV) omdat hij zijn baard niet wil afscheren uit geloofsovertuiging. Het college verlaagt daarop de bijstand met 100% voor een maand. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
In hoger beroep stelt appellant dat het verbod op het dragen van een baard in strijd is met zijn recht op godsdienstvrijheid (art. 9 EVRM Pro). De Raad erkent de inbreuk op dit recht, maar oordeelt dat deze gerechtvaardigd is omdat het dragen van een masker zonder baard wettelijk verplicht is om gezondheidsrisico’s bij asbestverwijdering te minimaliseren.
De Raad weegt het geringe perspectief van appellant op arbeid, de concrete baangarantie van de opleiding en het belang van solidariteit in de Participatiewet af tegen de godsdienstvrijheid. De maatregel is proportioneel en noodzakelijk in een democratische samenleving. Het hoger beroep wordt afgewezen en de verlaging van de bijstand bevestigd.
Uitkomst: De verlaging van de bijstand wegens weigering baard af te scheren voor de opleiding tot DAV wordt bevestigd.