Appellant ontvangt bijstand en is in het kader van arbeidsinschakeling geplaatst bij een werkstage. Hij weigerde op vrijdagmiddagen te werken vanwege moskeebezoek en op zaterdagmiddagen vanwege de omgangsregeling met zijn minderjarige kinderen. Het college verlaagde daarop de bijstand met 100% voor de maand mei 2016. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep oordeelt de Centrale Raad van Beroep dat de verplichte aanwezigheid op vrijdag- en zaterdagmiddag een inbreuk vormt op de godsdienstvrijheid en het recht op gezinsleven zoals beschermd door het EVRM. Deze inbreuk is niet noodzakelijk omdat appellant op andere dagen en tijden kon werken en de winkel ook op andere momenten geopend was.
De Raad stelt vast dat het college onvoldoende maatwerk heeft geleverd en dat de weigering van appellant niet verwijtbaar is. Daarom vernietigt de Raad het bestreden besluit en het eerdere besluit van het college, herroept de verlaging van de bijstand en veroordeelt het college in de proceskosten.