ECLI:NL:CRVB:2019:501
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.B. Kleiss
- Rechtspraak.nl
Beoordeling recht op WIA-uitkering na herbeoordeling arbeidsongeschiktheid
Appellant, werkzaam als beveiliger, ontving sinds 2012 een WGA-uitkering wegens 75,85% arbeidsongeschiktheid. Na een melding van toegenomen arbeidsongeschiktheid in 2015 concludeerde een verzekeringsarts dat de beperkingen niet waren toegenomen en dat de arbeidsongeschiktheid was gedaald tot 27,66%. Het UWV besloot daarop de uitkering te beëindigen.
Appellant maakte bezwaar en stelde dat zijn beperkingen niet juist waren vastgesteld, onder meer vanwege slijtage aan pols en schouder. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en de geselecteerde functies passend waren.
In hoger beroep voerde appellant aan dat ook niet-objectiveerbare klachten beperkingen kunnen veroorzaken, maar de Raad oordeelde dat het UWV de medische informatie juist had betrokken en dat er geen aanleiding was om de functionele mogelijkhedenlijst aan te passen. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door R.B. Kleiss, in aanwezigheid van griffier D.S. Barthel.
Uitkomst: Appellant heeft geen recht meer op een WIA-uitkering omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.