ECLI:NL:CRVB:2019:580
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen eerdere ingangsdatum AIO-aanvulling dan datum melding ondanks omstandigheden
Appellant bereikte de pensioengerechtigde leeftijd op 1 oktober 2015 en vroeg toen een AOW-pensioen aan. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) kende hem een onvolledig AOW-pensioen toe per 1 oktober 2015. Op 25 januari 2016 meldde appellant zich voor een aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO-aanvulling) en diende op 4 februari 2016 de aanvraag in. De Svb kende de AIO-aanvulling toe met ingang van 25 januari 2016, de datum van melding.
Appellant maakte bezwaar tegen de ingangsdatum en stelde dat de AIO-aanvulling vanaf 1 oktober 2015 had moeten ingaan vanwege bijzondere omstandigheden, waaronder het niet tijdig informeren door de Svb, late toekenning van het AOW-pensioen, schulden en onvoldoende middelen om noodzakelijke kosten te dekken. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en het hoger beroep werd ingesteld.
De Raad oordeelde dat volgens de Participatiewet de bijstand ingaat op de datum van melding, tenzij bijzondere omstandigheden een eerdere datum rechtvaardigen. De Raad stelde vast dat appellant zich pas op 25 januari 2016 meldde en dat de handelwijze van de Svb zorgvuldig was. Het verblijf van appellant in Marokko en het niet tijdig lezen van post zijn voor zijn eigen risico. Financiële problemen en schulden vormen geen bijzondere omstandigheden die een eerdere ingangsdatum rechtvaardigen.
Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de AIO-aanvulling ingaat op de datum van melding en wijst het hoger beroep af.