ECLI:NL:CRVB:2019:586
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA- en beëindiging Ziektewet-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant, laatstelijk werkzaam als timmerman, meldde zich ziek met rugklachten en ontving een Ziektewet-uitkering. Het UWV stelde vast dat appellant per 25 februari 2015 geen recht had op een WIA-uitkering omdat hij hersteld was en geschikt werd geacht voor bepaalde functies. Ook werd de Ziektewet-uitkering beëindigd wegens het ontbreken van blijvende arbeidsongeschiktheid.
Appellant maakte bezwaar tegen beide besluiten, maar de rechtbank verklaarde deze ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was en dat zijn beperkingen groter waren dan aangenomen, onder meer door wervelkanaalstenose, fibromyalgie, artrose en psychische klachten. Tevens stelde hij dat er geen gesprek had plaatsgevonden over nieuwe functies.
De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig en volledig was uitgevoerd door verzekeringsartsen, die de beperkingen adequaat hadden vastgesteld. De functies die appellant geacht werd te kunnen vervullen, waren passend. De door appellant aangevoerde bijwerkingen van medicatie en klachten werden onvoldoende onderbouwd. De Raad bevestigde dat appellant geen recht had op WIA- en Ziektewet-uitkeringen en wees de verzoeken om vergoeding van wettelijke rente af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering en beëindiging van de Ziektewet-uitkering worden bevestigd.