ECLI:NL:CRVB:2019:591
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging WAO-uitkering op basis van 65-80% arbeidsongeschiktheid na medisch onderzoek
Appellant, werkzaam als monteur technische dienst, ontvangt sinds 2001 een WAO-uitkering vanwege psychische klachten. Het Uwv herzag in 2015 de uitkering naar een arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%. Appellant betwistte dit en stelde dat sprake was van geen benutbare mogelijkheden (GBM) en dat zijn beperkingen groter waren dan aangenomen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek van de verzekeringsartsen zorgvuldig was en dat het expertiserapport van psychiater Zwartjes onvoldoende aanleiding gaf tot een ander oordeel. De functionele mogelijkhedenlijst (FML) was adequaat en de voorgestelde functies passend.
In hoger beroep handhaafde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad vond dat de medische stukken en het rapport van Zwartjes geen bewijs leverden voor GBM of een zeer ernstig invaliderend psychiatrisch ziektebeeld. Het verzoek tot benoeming van een onafhankelijke deskundige werd afgewezen wegens voldoende gelegenheid tot betwisting en geen twijfel over de juistheid van het Uwv-oordeel.
De Raad concludeerde dat appellant recht heeft op de WAO-uitkering gebaseerd op 65 tot 80% arbeidsongeschiktheid en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant recht heeft op een WAO-uitkering van 65 tot 80% arbeidsongeschiktheid en wijst het hoger beroep af.