ECLI:NL:CRVB:2019:598

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 februari 2019
Publicatiedatum
21 februari 2019
Zaaknummer
17/5309 WIA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • R.B. Kleiss
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswettenWet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid ondanks fibromyalgie en psychische klachten

Appellante is sinds 14 februari 2014 uitgevallen voor haar werkzaamheden als schoonmaakster vanwege fysieke klachten. Na onderzoek door een verzekeringsarts van het UWV is vastgesteld dat zij lichamelijke en psychische klachten heeft door fibromyalgie. Deze klachten zijn als reëel erkend en vertaald in beperkingen in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Een arbeidsdeskundige concludeerde dat appellante geen verlies aan verdienvermogen heeft omdat zij de geselecteerde voorbeeldfuncties kan vervullen.

Het UWV heeft op 13 januari 2016 besloten dat appellante geen recht heeft op een WIA-uitkering omdat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedraagt. Dit besluit is na bezwaar en beroep bevestigd, waarbij een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige de beperkingen en verdiencapaciteit opnieuw hebben beoordeeld en het besluit van het UWV hebben ondersteund.

De rechtbank Limburg heeft het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond verklaard, waarbij zij het verzekeringsgeneeskundig onderzoek als zorgvuldig en deugdelijk heeft beoordeeld. Appellante stelde in hoger beroep dat haar beperkingen ernstiger zijn dan aangenomen en dat zij door haar psychische klachten niet in staat zou zijn de functies te vervullen. De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat appellante geen nieuwe medische informatie heeft ingebracht die de juistheid van de FML betwist en dat er geen aanwijzingen zijn dat zij geheel geen functies kan vervullen.

Ook de vrees voor extreem ziekteverzuim is onvoldoende onderbouwd. De Raad bevestigt daarom de aangevallen uitspraak en wijst het hoger beroep af. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen recht heeft op een WIA-uitkering omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

Uitspraak

17.5309 WIA

Datum uitspraak: 21 februari 2019
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 20 juli 2017, 16/2024 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. H.F.A. Bronneberg, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 24 januari 2019. Partijen zijn niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellante is op 14 februari 2014 met fysieke klachten uitgevallen voor haar werkzaamheden als schoonmaakster die zij voor 10,23 uur per week verrichtte. In verband met haar aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is zij onderzocht op het spreekuur van een verzekeringsarts van het Uwv. Deze verzekeringsarts heeft in een rapport van 23 december 2015 vermeld dat appellante lichamelijke en psychische klachten heeft door fibromyalgie. De verzekeringsarts heeft de klachten van zowel psychische als lichamelijke aard als reëel beschouwd en beperkingen aangenomen in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Een arbeidsdeskundige heeft vervolgens in een rapport van 12 januari 2016, aan de hand van wat appellante kan verdienen met geselecteerde voorbeeldfuncties in vergelijking tot haar maatmaninkomen, berekend dat zij geen verlies aan verdienvermogen heeft.
1.2.
Het Uwv heeft bij besluit van 13 januari 2016 vastgesteld dat appellante met ingang van
2 februari 2016 geen recht heeft op een WIA-uitkering omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
1.3.
In verband met het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft een verzekeringsarts bezwaar en beroep dossierstudie verricht. Deze arts heeft in een rapport van 9 juni 2016 vermeld dat appellante al jaren klachten aan het bewegingsapparaat heeft door fibromyalgie. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep kan niet in de volle omvang rekening worden gehouden met de belemmeringen die appellante door pijnklachten ervaart en heeft de primaire verzekeringsarts voldoende beperkingen in de FML aangenomen.
Een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in een rapport van 10 juni 2016 één door de primaire arbeidsdeskundige geselecteerde functie laten vervallen en het maatmaninkomen en de maatmanomvang iets naar boven aangepast. Op basis van de resterende functies blijft de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante minder dan 35%.
1.4.
Het Uwv heeft bij besluit van 16 juni 2016 (bestreden besluit) het bezwaar van appellante tegen het besluit van 13 januari 2016, onder verwijzing naar de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig en deugdelijk is geweest en dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep alle beschikbare informatie van de behandelend sector kenbaar in de heroverweging heeft betrokken. De rechtbank heeft geen aanleiding om te oordelen dat de belastbaarheid van appellante op de datum in geding niet juist is ingeschat, in de FML zijn namelijk in verband met de vermelde medische problematiek aanzienlijke beperkingen aangenomen. De rechtbank heeft voorts voldoende gemotiveerd geacht dat appellante de geselecteerde voorbeeldfuncties kan verrichten.
3.1.
Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat zij meer beperkingen heeft dan door het Uwv is aangenomen door ernstige fibromyalgie, pijnklachten en psychische klachten. Zij heeft zich op het standpunt gesteld dat de lichte aanpassingsstoornis met depressieve kenmerken, die zij volgens het Uwv heeft, een ernstige stoornis is waardoor zij niet in staat is de aan de functies verbonden werkzaamheden te verrichten. Zij is daarbij bang voor extreem ziekteverzuim bij het vervullen van de geselecteerde functies.
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De gronden die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd zijn deels een herhaling van de gronden die zij in beroep naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft deze gronden in de aangevallen uitspraak volledig en voldoende gemotiveerd besproken. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. Hieraan wordt toegevoegd dat in de FML substantiële beperkingen zijn aangenomen en dat met deze beperkingen rekening is gehouden met een verminderde belastbaarheid van appellante door psychische klachten en fibromyalgie. Appellante heeft in hoger beroep geen medische informatie ingebracht waaruit kan worden afgeleid dat de FML niet juist is. Evenmin is dit op een andere manier aannemelijk gemaakt. Er zijn verder geen aanknopingspunten voor de conclusie dat appellante in het geheel geen functies zou kunnen vervullen.
4.2.
Voor zover appellante heeft bedoeld te betogen dat het van een werkgever in verband met het te verwachten ziekteverzuim in redelijkheid niet kan worden gevergd haar te werk te stellen, als bedoeld in artikel 9, aanhef en sub e, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten, wordt overwogen dat appellante niet heeft onderbouwd dat haar ziekteverzuim excessief zal zijn en dit ook niet op grond van de stukken kan worden aangenomen.
4.3.
Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door R.B. Kleiss, in tegenwoordigheid van D.S. Barthel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 februari 2019.
(getekend) R.B. Kleiss
(getekend) D.S. Barthel

IJ