ECLI:NL:CRVB:2019:623
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herroeping loonsanctie wegens onvoldoende gemotiveerde beoordeling re-integratie tweede spoor
Appellante was werkgever van een werkneemster die sinds 2014 wegens psychische klachten arbeidsongeschikt was. De werkneemster volgde intensieve behandelingen en startte een re-integratietraject met aangepaste werkzaamheden (eerste spoor). In 2015 werd gestart met een tweede spoor traject gericht op werk bij een andere werkgever, maar dit traject werd in november 2015 voortijdig beëindigd op basis van een psychodiagnostisch rapport.
Het UWV legde aan appellante een loonsanctie op omdat het van oordeel was dat de re-integratie-inspanningen onvoldoende waren, met name door het vroegtijdig staken van het tweede spoor. Appellante maakte bezwaar en ging in beroep tegen deze beslissing. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar in hoger beroep oordeelde de Centrale Raad van Beroep anders.
De Raad stelde vast dat het UWV niet de re-integratieactiviteiten in het tweede spoor had beoordeeld, maar slechts een geïsoleerd standpunt innam over het stopzetten vlak voor de WIA-aanvraag. Hierdoor ontbrak een deugdelijke motivering van het besluit. Gezien de medische situatie van de werkneemster en het feit dat de tot dan toe verrichte activiteiten mogelijk het maximaal haalbare waren, kon appellante niet worden verweten dat zij het tweede spoor had gestaakt.
De Raad vernietigde het bestreden besluit en het besluit tot loonsanctie, herroept het laatste en veroordeelde het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. Hiermee werd de loonsanctie ten onrechte opgelegde sanctie ongedaan gemaakt.
Uitkomst: Het besluit tot oplegging van de loonsanctie aan appellante wordt vernietigd en herroepen wegens onvoldoende motivering.