ECLI:NL:CRVB:2019:702
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid na zorgvuldig verzekeringsgeneeskundig onderzoek
Appellant, laatstelijk werkzaam als spuiter, meldde zich ziek wegens psychische klachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde na verzekeringsgeneeskundig onderzoek vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en wees de uitkering af. In bezwaar en beroep werd de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) aangepast, maar de mate van arbeidsongeschiktheid bleef onder de 35%.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en vond het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig. Appellant stelde in hoger beroep dat het UWV zijn psychische beperkingen te licht had ingeschat en dat de door het UWV geselecteerde functies ongeschikt waren vanwege zijn problemen met autoriteit en leiding.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de FML, mede gebaseerd op het onderzoek van psychiater Kondaçi, een juiste weergave gaf van de beperkingen. De door appellant overgelegde verklaring van psychiater Pronk-Verweij bood onvoldoende aanknopingspunten voor zwaardere beperkingen. De Raad concludeerde dat de voorgehouden functies medisch geschikt waren en bevestigde het besluit van het UWV dat appellant geen recht heeft op een WIA-uitkering.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de beslissing van het UWV dat appellant geen recht heeft op een WIA-uitkering wordt bevestigd.