ECLI:NL:CRVB:2019:766
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstand wegens niet verblijf op uitkeringsadres
Appellant ontving bijstand op grond van de Participatiewet, maar het college van burgemeester en wethouders van Utrecht trok deze bijstand in per 20 juli 2016 en vorderde onterecht ontvangen bedragen terug. Dit omdat appellant niet langer op het opgegeven uitkeringsadres verbleef en zijn wijziging van woon- en verblijfplaats niet onverwijld had doorgegeven, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. Appellant slaagde er in hoger beroep niet in aannemelijk te maken waar hij in de periode van 20 juli tot 1 september 2016 feitelijk verbleef. Pas op 28 oktober 2016 meldde hij zich weer bij de gemeente en gaf aan geen vaste woon- en verblijfplaats te hebben gehad, wat niet overeenkomt met een later overgelegde verklaring van een vriend.
De Raad oordeelde dat de woon- en verblijfplaats cruciaal is voor het vaststellen van het recht op bijstand en dat appellant niet voldeed aan zijn inlichtingenverplichting. De intrekking en terugvordering zijn daarom terecht. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand worden bevestigd vanwege het niet tijdig melden van het vertrek van het uitkeringsadres.