ECLI:NL:CRVB:2019:847
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstandsrecht wegens niet tijdig overleggen bankafschriften
In deze zaak stond de intrekking van het recht op bijstand centraal nadat appellante niet tijdig de gevraagde bankafschriften had overgelegd. Appellante had tegen de opschorting van het recht op bijstand geen bezwaar gemaakt, maar stelde dat haar geen verwijt kon worden gemaakt voor het niet tijdig aanleveren van de stukken.
De Raad oordeelde dat appellante onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij niet verwijtbaar handelde. Hoewel appellante jarenlang gevolgen ondervond van een gewelddadige overval in 2007 en psychische problemen had, was uit verklaringen van de huisarts, wijkcoach en advocaat niet gebleken dat zij niet in staat was de bankafschriften tijdig te overleggen of om uitstel te vragen.
Daarom was het verwijtbaar dat zij niet tijdig de gevraagde stukken had ingediend, wat de intrekking van de bijstand rechtvaardigde. Het hoger beroep werd afgewezen en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De intrekking van het recht op bijstand wordt bevestigd wegens verwijtbaar niet tijdig overleggen van bankafschriften.