Appellant verhuisde in november 2011 naar Turkije en werd geconfronteerd met een verhoging van de maandelijkse inhouding op zijn AOW-pensioen door de Sociale Verzekeringsbank (Svb). De Svb had abusievelijk niet duidelijk gemaakt dat de beslagvrije voet in Turkije lager zou zijn, waardoor appellant niet kon anticiperen op de forse verhoging vanaf oktober 2014.
De rechtbank had het beroep van appellant ongegrond verklaard, stellende dat de Svb bevoegd was om het volledige aflossingscapaciteit te benutten en dat de brief van 2011 geen toezegging inhield over het maximale inhoudingsbedrag. Appellant stelde dat hierdoor onvoldoende inkomen overbleef en hij niet tijdig was geïnformeerd.
De Centrale Raad oordeelde dat de Svb op grond van het rechtszekerheidsbeginsel gehouden was appellant eenduidig en tijdig te informeren over de verhoging en een overgangstermijn te bieden. Dit was niet gebeurd, waardoor de verhoging vanaf oktober 2014 onrechtmatig was. De Raad vernietigde het besluit, kende schadevergoeding toe voor de te veel ingehouden bedragen en wees overige schadevergoedingen af.
Daarnaast werd de Svb veroordeeld tot vergoeding van wettelijke rente en proceskosten. Verzoeken tot vergoeding van verhuiskosten en psychisch leed werden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.