ECLI:NL:CRVB:2019:872
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing Wajong-uitkering wegens niet voldoen aan jonggehandicaptencriteria
Appellante vroeg een Wajong-uitkering aan op grond van psychische klachten die sinds 2012 spelen. De verzekeringsarts stelde de eerste arbeidsongeschiktheidsdag vast op 1 januari 2013 en legde beperkingen vast in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Een arbeidsdeskundige concludeerde dat appellante met deze beperkingen meer dan 75% van het minimumloon kan verdienen.
Het UWV wees de aanvraag af en verklaarde het bezwaar ongegrond, omdat appellante niet als jonggehandicapte kan worden beschouwd, mede omdat zij in het jaar voorafgaand aan de eerste arbeidsongeschiktheidsdag niet ten minste zes maanden studeerde. De rechtbank Rotterdam bevestigde dit oordeel.
In hoger beroep handhaafde appellante haar standpunt, maar de Raad volgde het UWV en de rechtbank. De medische en arbeidskundige rapporten gaven geen aanleiding tot een ander oordeel. De Raad concludeerde dat appellante niet voldoet aan de jonggehandicaptencriteria en dat de afwijzing van de Wajong-uitkering terecht is. De Raad veroordeelde het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.
Uitkomst: De aanvraag van appellante voor een Wajong-uitkering wordt afgewezen omdat zij niet als jonggehandicapte kan worden aangemerkt en meer dan 75% van het minimumloon kan verdienen.