ECLI:NL:CRVB:2019:890
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening bij bijstandsaanvraag na echtscheiding
Verzoeker diende op 6 juni 2017 een aanvraag om bijstand in, waarbij hij verklaarde alleen te wonen en gehuwd te zijn met een echtgenoot die in Marokko woont. Baanbrekers wees de aanvraag af omdat verzoeker niet aannemelijk maakte hoe hij en zijn gezin in hun levensonderhoud voorzagen. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond voor de periode 7 juni tot 24 augustus 2017 en bepaalde dat Baanbrekers bijstand moest verlenen vanaf die datum.
Baanbrekers stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. Verzoeker vroeg om een voorlopige voorziening om voorschot op bijstand te ontvangen tot het hoger beroep was beslist. De voorzieningenrechter oordeelde dat niet was gebleken van een actueel spoedeisend belang, zoals dreigende schulden of afsluiting van nutsvoorzieningen. Verzoeker had na mei 2017 geen nieuwe aanvraag ingediend ondanks toezegging.
De voorzieningenrechter concludeerde dat er geen onverwijlde spoed was en wees het verzoek af. Er was geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door M. Hillen namens de Centrale Raad van Beroep op 5 maart 2019.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van een actueel spoedeisend belang.