Appellant was werkzaam bij de Koninklijke Landmacht en kreeg in 2014 eervol ontslag, dat later werd herroepen. Vervolgens verleende de Kroon hem ontslag wegens wangedrag op grond van artikel 39, tweede lid, aanhef en onder l, van het AMAR. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond, maar de Raad vernietigde deze uitspraak en beval nader onderzoek naar de toerekenbaarheid van het wangedrag.
Een GZ-psycholoog voerde dit onderzoek uit, maar appellant maakte gebruik van zijn recht om het onderzoeksrapport te blokkeren, waardoor het rapport niet kon worden betrokken bij de beslissing. De Kroon verklaarde het bezwaar ongegrond omdat uit het onderzoek geen aanwijzingen kwamen dat het wangedrag niet aan appellant kon worden toegerekend.
Appellant voerde in beroep aan dat zijn gedragingen samenhingen met ernstige psychische klachten. De Raad oordeelde echter dat de juridische toerekenbaarheid niet afhangt van een psychopathologische verklaring, maar van het vermogen van appellant om in te zien dat zijn gedrag ontoelaatbaar was en daarnaar te handelen. Op basis van de beschikbare gegevens kon het wangedrag aan appellant worden toegerekend.
De Raad concludeerde dat de Kroon bevoegd was het ontslagbesluit te nemen en dat appellant geen gegronde redenen had aangevoerd om dit te betwisten. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.