ECLI:NL:CRVB:2019:919
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening ANW-uitkering wegens samenwoning met nieuwe echtgenoot
Appellant ontving sinds 1994 een uitkering op grond van de Algemene Weduwen- en Wezenwet, later de Algemene nabestaandenwet (ANW). Na hertrouwen in 2009 en woonachtig in Hongarije, onderzocht de Sociale verzekeringsbank (Svb) zijn leefsituatie. Bij een bezoek in 2014 verklaarde appellant dat hij vanaf 1996 samenwoonde met zijn huidige echtgenote en dat zij samen kinderen hadden.
De Svb herzag daarop de ANW-uitkering over de periode 1998-2009, omdat sprake zou zijn van samenwoning vanaf 1996. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en ging uit van de juistheid van zijn verklaring uit 2014. In hoger beroep stelde appellant dat hij onder druk had verklaard en dat samenwoning pas vanaf 2009 zou zijn begonnen.
De Raad oordeelt dat appellant gehouden is aan zijn verklaring omdat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat deze onder dwang is afgelegd. De verklaring is ondertekend en er is geen bewijs van onvrijwilligheid. Daarom wordt de aangevallen uitspraak bevestigd en het hoger beroep verworpen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de herziening van de ANW-uitkering wordt bevestigd.