ECLI:NL:CRVB:2019:980
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering zonder dringende redenen op grond van de Participatiewet
In deze zaak is het hoger beroep behandeld tegen een uitspraak van de rechtbank Amsterdam betreffende de terugvordering van een uitkering op grond van de Participatiewet. Appellante stelde dat de rechtsoverwegingen van de rechtbank onjuist waren, met name met betrekking tot de toepassing van de bepalingen over terugvordering en de mogelijkheid tot belangenafweging.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de artikelen 54 lid 3 en 58 lid 1 van de Participatiewet geen ruimte laten voor een belangenafweging bij terugvordering. Alleen indien sprake is van dringende redenen, zoals onaanvaardbare sociale of financiële gevolgen, kan het college op grond van artikel 58 lid 8 geheel Pro of gedeeltelijk afzien van terugvordering. In deze zaak waren dergelijke dringende redenen niet aanwezig.
De Raad bevestigde daarom de aangevallen uitspraak van de rechtbank en wees het beroep af. Tevens werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd in het openbaar uitgesproken door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering omdat geen dringende redenen voor kwijtschelding zijn vastgesteld.